Aansprakelijkheid bedrijfsarts voor aan werkgever opgelegde loonsanctie wegens schending zorgplicht

Bedrijfsarts aansprakelijk voor opgelegde loonsanctie wegens schending zorgplicht

De Wet Verbetering Poortwachter (WvP) is ingesteld om het aantal werknemers dat langdurig ziek is terug te dringen. Uitgangspunt daarbij is dat snel en effectief ingrijpen het verzuim mogelijk korter maakt. De werkgever en de werknemer zijn daarom in de eerste twee ziektejaren (104 weken) gezamenlijk verantwoordelijk voor de re-integratie van de zieke werknemer.

Na deze twee ziektejaren kan de zieke werknemer in aanmerking komen voor een uitkering. Het gaat dan om een (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA). Het UWV beoordeelt of de zieke werknemer daar recht op heeft.

Daarbij toetst het UWV of het re-integratieverslag volledig is. Indien het verslag compleet is, volgt daarna een inhoudelijke toetsing van de re-integratie-inspanningen van de werkgever en de werknemer. Deze toetsing begint met een beoordeling van het met de re-integratie bereikte resultaat. Wanneer dit resultaat bevredigend is, dan zal geen loonsanctie volgen. Een bevredigend resultaat is bereikt wanneer de werknemer gekomen is tot een werkhervatting die min of meer aansluit bij de resterende functionele mogelijkheden van de werknemer.

Wat betreft het toetsen van re-integratie-inspanningen zegt artikel 65 WIA dat het UWV beoordeelt of de werkgever en de werknemer in redelijkheid hebben kunnen komen tot de re-integratie-inspanningen die zijn verricht.

Als na de twee ziektejaren blijkt dat er onvoldoende re-integratie-resultaten zijn bereikt, wordt de WIA aanvraag opgeschort en betaalt de werkgever, na de reeds doorbetaalde twee ziektejaren, nog maximaal één jaar (52 weken) het salaris langer door. Dit heet loonsanctie.

Een goede, volledige en tijdige re-integratie zijn bij een langdurige ziekte dan ook essentieel. De loonsanctie is een zwaar middel. De werkgever en de zieke werknemer hebben derhalve in de eerste twee ziektejaren de primaire verantwoordelijkheid van verzuimbegeleiding en re-integratie, maar zij kunnen zich laten ondersteunen door een arbodienst of bedrijfsarts en eventueel andere deskundigen, zoals arbeidsdeskundigen.

Als de arbodienst of bedrijfsarts tekort schiet in zijn taakuitoefening, dan kan zij daarvoor aansprakelijk gesteld worden.

Op 27 februari 2019 heeft de Rechtbank Noord-Nederland daar een uitspraak over gedaan (ECLI:NL:RBNNE:2019:754 inzake Hago Zorg B.V. vs. ArboAnders B.V.).

Hago is een bedrijf dat zich bezig houdt met schoonmaakdiensten in gebouwen van haar opdrachtgevers op verschillende locaties in Nederland. ArboAnders houdt zich bezig met Arbobegeleiding en re-integratie.

Hago en ArboAnders zijn een overeenkomst van opdracht aangegaan betreffende arbodienstverlening door ArboAnders aan Hago. Per 1 januari 2017 is een zogenaamd “maatwerkpakket verzuimbegeleiding” overeengekomen gericht op het aanpakken en voorkomen van verzuim en het beperken van de schadelast van Hago als gevolg van verzuim van haar werknemers.

In die overeenkomst is onder meer bepaald:

“Zorgplicht: In verband met de zorgplicht van de bedrijfsarts en de daaruit voortvloeiende eisen die de Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde (NVAB) stelt zal ArboAnders te allen tijde overgaan tot:

 (…)

– Het elke 6 weken onderhouden van contact met de werknemer;”

Toen een Ghanese werkneemster van Hago na 104 weken ziekte een WIA-uitkering aanvroeg bij het UWV, heeft. Het UWV bij besluit van 11 december 2017 medegedeeld dat de aanvraag niet zal worden behandeld en dat Hago bij wijze van een loonsanctie het loon van werkneemster moet doorbetalen tot 25 december 2018.

Het UWV is daarbij van mening dat Hago onvoldoende heeft gedaan om werkneemster te re-integreren.

Hago vordert in deze procedure bij de rechter een verklaring voor recht dat de ArboAnders toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst van opdracht.

De bedrijfsarts heeft op 31 juli 2017 ten behoeve van het opstarten van de nadere behandeling aan de werkneemster een brief meegegeven om aan haar huisarts te overhandigen. Ook heeft de bedrijfsarts Hago geadviseerd om een arbeidsdeskundige in te schakelen om te beoordelen of het eigen werk van werkneemster als passend kon worden beschouwd.

Op 23 augustus 2017 heeft de bedrijfsarts vervolgens telefonisch contact gehad met werkneemster en op 30 augustus 2017 heeft de bedrijfsarts de werkneemster (en haar zoon) gezien op een spreekuur.

In de “bijstelling Probleemanalyse WIA” d.d. 30 augustus 2017 is het volgende genoteerd:

“Werknemer ondergaat behandeling en er is aanvullende behandeling geadviseerd, welke opgestart zal worden via de reguliere behandelaar”.

Na 30 augustus 2017 is werkneemster niet meer ingepland voor het spreekuur van de bedrijfsarts.

In november 2017 heeft ArboAnders informatie opgevraagd bij de huisarts van werkneemster over de voortgang van de geadviseerde aanvullende behandeling. Op 27 november 2017 heeft ArboAnders aan Hago gemeld (na beoordeling van de ontvangen medische informatie) dat deze geadviseerde behandeling feitelijk niet van de grond is gekomen.

De rechtbank is het met Hago eens en oordeelt dat ArboAnders onvoldoende invulling heeft gegeven aan de op haar rustende taak. De rechtbank (in een wat langer citaat):

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de bedrijfsarts aldus onvoldoende invulling gegeven aan de op hem/haar rustende taak, mede gelet op de inhoud van de overeenkomst. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat in de overeenkomst met zoveel woorden is bepaald dat de bedrijfsarts iedere zes weken contact dient te onderhouden met de zieke werknemer, hetgeen in dit geval dus niet is gebeurd. Voorts volgt uit de overeenkomst dat bij langdurig verzuim de bewaking van het re-integratietraject behoort tot de taak van het behandelteam. In het licht hiervan lag het op de weg van de bedrijfsarts om de vinger aan de pols te houden met betrekking tot de geadviseerde aanvullende behandeling. Dit geldt temeer nu het UWV in februari 2017 al had geoordeeld dat de re-integratie inspanningen ten aanzien van werkneemster tot dan toe onvoldoende waren geweest. De overeenkomst tussen partijen ziet ook – voor zover het gaat om de begeleiding door ArboAnders – op een aanpak die mede is gericht op het voorkomen van loonsancties, zodat ook om die reden van de bedrijfsarts verwacht had mogen worden dat hij er voor wat betreft de voortgang van de aanbevolen behandeling meer bovenop had gezeten. Verder is uit het dossier gebleken dat werkneemster taalproblemen heeft en daarnaast psychische klachten, waardoor het voor haar moeilijk is om “een cirkel te doorbreken”. Ook deze omstandigheden hadden de bedrijfsarts aanleiding moeten geven om het aanbevolen behandeltraject beter in de gaten moeten houden. Nu de bedrijfsarts in het onderhavige geval ruim twee maanden niets heeft gedaan op het gebied van de bewaking van de voortgang van het re-integratietraject heeft hij – zoals ook is geoordeeld door UWV – een te weinig actieve inzet getoond en is hij tekort geschoten in zijn zorgplicht.”

De conclusie van de rechtbank is dan ook dat ArboAnders wegens schending van haar zorgplicht en daarmee toerekenbaar tekortschieten gehouden is de daardoor door Hago geleden schade volledig te vergoeden. Hago wordt in de gelegenheid gesteld om bij akte een nadere onderbouwing te geven voor de gestelde schade, waarop ArboAnders vervolgens mag reageren.

Ten slotte nog dit. Met ingang van 2021 wordt het medisch advies van de bedrijfsarts bij de toets op re-integratie-inspanningen leidend. Op basis van dit advies richten werkgever en werknemer het re-integratietraject in.

Zoals uit deze procedure bleek, kan de verzekeringsarts van het UWV een eigen medisch oordeel vormen, dat kan afwijken van het medisch advies van de bedrijfsarts. Dat kan net als in deze zaak de oorzaak zijn van het opleggen van een loonsanctie door het UWV aan de werkgever.

De minister wil dat voorkomen door de verzekeringsarts van het UWV het medisch advies van de bedrijfsarts niet langer te laten beoordelen, maar de toets volledig uit te laten voeren door arbeidsdeskundigen van het UWV. Afwachten of, en hoe, dit nieuwe regelgeving wordt.

Wilt u meer info neem dan contact op met onze specialisten:

Jeltje van Wijngaarden LLB Juridisch Adviseur

j.v.wijngaarden@fsv.nl

mr. Kees de Kramer Juridisch Adviseur

k.d.kramer@fsv.nl

Share on whatsapp
Share on facebook
Share on twitter
Share on linkedin
Share on email
Share on print