Special Eindejaarstips 2018

Wat kunt u als ondernemer fiscaal dit jaar nog regelen? Moet u als dga nu al anticiperen op aankomende veranderingen in wet- en regelgeving? Op welke zaken moet u als werkgever zich voorbereiden vóór 1 januari? Wilt u nog een schenking doen aan uw kleinkinderen? Deze zaken en meer staan in deze Eindejaarstips 2018.

In deze tips hebben wij zo veel mogelijk rekening gehouden met de plannen van het kabinet voor volgend jaar. Een aantal van deze plannen is echter nog niet definitief. Deze moeten nog door de Eerste Kamer worden goedgekeurd. Welke dat zijn, kunnen wij u uiteraard vertellen. In overleg bekijken we of het verstandig is wel of geen stappen te zetten.

De tips zijn onderverdeeld in zeven categorieën:

  1. Tips voor alle belastingplichtigen
  2. Tips voor ondernemers
  3. Tips voor de ondernemer in de inkomstenbelasting
  4. Tips voor de bv en de dga
  5. Tips voor werkgevers
  6. Tips voor de automobilist
  7. Tips voor de woningeigenaar

1. Tips voor alle belastingplichtigen

Speel in op aftrekbeperking box 1
De tarieven in box 1 voor inkomsten uit werk en woning worden de komende jaren fors verlaagd, te beginnen in 2019. Alleen het tarief van de eerste schijf, tot een inkomen van € 20.142, gaat in 2019 met 0,1%-punt omhoog van 36,55% naar 36,65%. Het tarief van de tweede schijf, voor het deel van het inkomen tussen € 20.142 en € 68.507, daalt fors: van 40,85% naar 38,1%. Over het deel van het inkomen boven € 68.507 betaalt men nu 51,95%. Dit wordt volgend jaar 51,75%.

Hier staat tegenover dat aftrekposten dan dus ook minder voordeel opleveren. Bovendien wordt het maximum aftrekpercentage voor het overgrote deel van de aftrekposten vanaf 2020 in vier jaar tijd afgebouwd naar 37,05% in 2023. Een verschil dus van 14,9%-punt ten opzichte van 2018.

Tip: U kunt hierop inspelen door aftrekposten zo veel mogelijk in de tijd naar voren te halen. Een gift van bijvoorbeeld € 10.000 aan een ANBI levert u tegen het maximumtarief nu in beginsel nog een maximaal fiscaal voordeel op van € 5.195. In 2023 levert dezelfde gift u nog maar een maximaal voordeel op van € 3.705.

Afgezien van aftrekposten voor ondernemers betreft het de uitgaven voor onderhoudsverplichtingen, de uitgaven voor specifieke zorgkosten, de weekenduitgaven voor gehandicapten, de scholingsuitgaven, de aftrekbare giften, het restant persoonsgebonden aftrek van voorgaande jaren en verliezen op beleggingen in durfkapitaal. Voor zover mogelijk verdient het aanbeveling deze aftrekposten zo ver mogelijk naar voren te halen.

Overweeg uw alimentatieverplichting af te kopen
Heeft u een alimentatieverplichting jegens uw ex-echtgenoot of ex-partner, dan is deze nu nog aftrekbaar tegen een tarief van maximaal 51,95%. Als gevolg van de aangekondigde tariefsverlagingen de komende jaren kunt u in gezamenlijk overleg met uw ex besluiten deze verplichting af te kopen. U voorkomt hiermee dat u als gevolg van de aftrekbeperking de komende jaren netto meer alimentatie betaalt.

De afkoop zou kunnen betekenen dat uw ex meer belasting over de afkoopsom betaalt dan wanneer zij jaarlijks alimentatie ontvangt. Dit kan deels voorkomen worden via middeling of door de afkoopsom in een lijfrentepolis te storten en daaruit periodiek uitkeringen te ontvangen.

Let op! Het afkopen van de alimentatieverplichting heeft voor u en/of uw ex-partner ook gevolgen voor de belastingheffing in box 3, voor de verschuldigde premie Zorgverzekeringswet (Zvw) en voor eventuele toeslagen. Schakel daarom een deskundige in om te berekenen of de afkoop fiscale voordelen oplevert en wat een redelijke verdeling hiervan is tussen uw ex en uzelf.

Koop waardevolle zaken voor persoonlijk gebruik nog dit jaar
Alle roerende zaken die voor persoonlijke doeleinden worden gebruikt of verbruikt, hoeft u niet op te geven in box 3. Bij roerende zaken kunt u denken aan inboedel, een auto, boot of caravan, maar bijvoorbeeld ook aan juwelen of een duur horloge. Bent u van plan binnenkort een dergelijke aanschaf te doen, zorg dan dat u deze aanschaf uiterlijk 31 december 2018 heeft gedaan en betaald. In de
box 3-heffing per 1 januari 2019 zal dit vermogen dan niet worden meegenomen.

Let op! Er geldt een antimisbruikmaatregel. Kan de Belastingdienst namelijk aannemelijk maken dat u de zaken hoofdzakelijk ter belegging heeft gekocht, dan behoren deze zaken wel tot het vermogen in box 3. Ook als u deze zaken tevens persoonlijk gebruikt.

Stel uw opleiding niet langer uit
Particulieren die een opleiding of studie voor een beroep volgen, kunnen de kosten hiervan in aftrek brengen als scholingsuitgaven. De plannen om deze algemene fiscale aftrek per 2019 te schrappen en te vervangen door een specifiekere regeling, zijn voorlopig uitgesteld. Het kabinet wil eerst met belanghebbende partijen om de tafel voor het uitwerken van een alternatief. Een alternatief moet voldoen aan de doelstelling van het beleid voor een leven lang leren. Totdat de invoering van dit alternatief wettelijk rond is, kunt u gebruik blijven maken van de scholingsaftrek. Indien u recht heeft op studiefinanciering (waaronder collegegeldkrediet), dan bestaat geen recht op aftrek.

Koop nog dit jaar een lijfrente
Koop nog dit jaar een lijfrente of stort op uw lijfrentespaarrekening of lijfrentebeleggingsrecht en creëer daarmee een extra aftrekpost. De betaalde bedragen zijn alleen aftrekbaar als sprake is van onvoldoende pensioenopbouw en u aan het begin van het jaar nog niet de AOW-gerechtigde leeftijd had bereikt. Dit wordt bepaald aan de hand van de jaar- en reserveringsruimte. U kunt deze ruimte berekenen op de site van de Belastingdienst (www.belastingdienst.nl), zoekterm ‘jaarruimte’. Als u voldoet aan de voorwaarden voor aftrek, kunt u de premie aftrekken tegen maximaal 51,95%. Lijfrentes blijven ook de komende jaren gewoon aftrekbaar tegen het tabeltarief. Vanwege de daling van deze tarieven vanaf volgend jaar, is de uitkering in veel gevallen lager belast. Als u nu de premie kunt aftrekken tegen 51,95% en deze is te zijner tijd belast tegen 37,05%, bedraagt het tariefvoordeel 14,9%.

Tip: Zorg dat u de bedragen in 2018 betaalt! Alleen dan kunt u deze nog in aftrek brengen in uw aangifte inkomstenbelasting 2018. Bovendien vermindert u daarmee uw vermogen, zodat u wellicht minder vermogensbelasting hoeft te betalen (box 3).

Let op! De betaalde lijfrentepremie vermindert de te betalen belasting, maar niet de te betalen Zvw-premie. Over de te zijner tijd te ontvangen uitkering betaalt u echter ook premie Zvw. Dit betekent in feite een dubbele heffing, voor zover uw inkomen bij uitbetaling van de lijfrentetermijnen onder de Zvw-premiegrens valt en u nu de Zvw-premiegrens nog niet heeft bereikt. In die gevallen wordt het nettorendement van de lijfrente kleiner.

Bepaalde heffingskortingen zijn (deels) inkomensafhankelijk. Zo zal de algemene heffingskorting mogelijk groter zijn als gevolg van de aftrek van een lijfrentepremie, maar boven een inkomen van € 68.507 heeft dit geen effect. De uitkering zal te zijner tijd mogelijk wel zorgen voor een lagere algemene heffingskorting. In zo’n situatie wordt het nettorendement van de lijfrente kleiner.

Voorkom belastingrente: verzoek om een voorlopige aanslag
Met betrekking tot uw aanslag inkomstenbelasting 2018 rekent de Belastingdienst vanaf 1 juli 2019 een rente van 4%. Dit is hoog, zeker in vergelijking met het huidige rendement op een spaarrekening. Voorkom dat u deze hoge rente verschuldigd wordt en controleer of uw voorlopige aanslag 2018 juist is. Is deze te laag, vraag dan zo snel mogelijk een nieuwe voorlopige aanslag aan.

Tip: Vraag ook een nieuwe, lagere voorlopige aanslag aan als uw voorlopige aanslag te hoog is. In tegenstelling tot vroeger kunt u niet meer ‘sparen’ bij de Belastingdienst. De Belastingdienst vergoedt namelijk over het algemeen geen rente meer over een te hoge aanslag.

Vraag middeling aan bij schommelende inkomsten
Heeft u de afgelopen jaren sterk schommelende inkomsten gehad in box 1, dan heeft u misschien meer belasting betaald dan bij gelijkmatige inkomsten het geval zou zijn geweest. In zo’n geval kunt u door middel van middeling geld terugvragen bij de Belastingdienst. Middeling vindt plaats door voor drie aaneengesloten kalenderjaren uit te gaan van de gemiddelde inkomsten. Houd hierbij rekening met een drempel van € 545. Alleen het meerdere boven deze € 545 krijgt u van de Belastingdienst terug.

Tip: Kies de periode van drie aaneengesloten jaren zorgvuldig, want een jaar waarover gemiddeld is, kan niet nogmaals worden meegenomen in een middelingsperiode van drie jaren. Houd er daarbij rekening mee dat de tarieven de komende jaren fors gaan dalen, wat invloed heeft op het te behalen voordeel.

Let op! Middeling gaat niet automatisch. U moet hiervoor zelf een schriftelijk verzoek indienen bij de Belastingdienst. Hierin moet u zelf berekenen hoeveel belasting u na middeling terugkrijgt. U kunt pas een verzoek indienen als de aanslagen over alle jaren uit het middelingstijdvak definitief zijn geworden.

Let op! Middeling heeft geen invloed op de hoogte van al verkregen toeslagen.

Cluster uw zorgkosten
Zorgkosten zijn onder voorwaarden aftrekbaar. Er geldt wel een drempel, die afhankelijk is van de hoogte van uw inkomen. Hoe hoger het inkomen, hoe hoger de drempel. Alleen zorgkosten die boven de drempel uitstijgen, zijn aftrekbaar.

Het is daarom aantrekkelijk zorgkosten zo mogelijk binnen een jaar te clusteren. Koopt u bijvoorbeeld in 2018 een nieuw gehoorapparaat en laat u in 2019 uw gebit renoveren, dan heeft u in beide jaren te maken met de drempel. Dit levert meestal minder aftrek op dan wanneer u beide uitgaven in één jaar zou hebben gedaan. Het betalingsmoment is beslissend voor het jaar van aftrek.

Tip: Houd ook rekening met het feit dat door de dalende tarieven de aftrek bij hetzelfde inkomen de komende jaren minder oplevert. Haal zorgkosten dus zo mogelijk naar voren toe. Vanaf 2023 levert de aftrek zorgkosten immers nog maar een fiscaal voordeel op van maximaal 37,05%.

Cluster uw giften
Giften aan goede doelen zijn onder voorwaarden aftrekbaar. Ook voor giften geldt echter een drempel. Alleen het meerdere van giften boven deze drempel is aftrekbaar. De drempel bedraagt 1% van uw verzamelinkomen vóór aftrek van persoonsgebonden aftrekposten, met een minimum van
€ 60. Voor giften geldt ook een plafond van 10% van het verzamelinkomen vóór aftrek van persoonsgebonden aftrekposten.

Tip: U kunt giften over meerdere jaren beter clusteren, zodat u slechts één keer met de drempel te maken heeft. Komt u met uw giften echter boven het plafond van 10% uit, dan is het juist beter uw giften over meerdere jaren te spreiden.

Tip: Houd ook rekening met het feit dat door de dalende tarieven de aftrek bij eenzelfde inkomen de komende jaren minder oplevert. Haal aftrekbare giften dus zo mogelijk naar voren toe. Vanaf 2023 levert een gift immers nog maar een fiscaal voordeel op van maximaal 37,05%.

Schenk uw giften periodiek
Periodieke giften zijn giften aan goede doelen in de vorm van vaste en gelijkmatige periodieke uitkeringen die uiterlijk eindigen bij overlijden. Deze giften kunt u aftrekken als u gebruikmaakt van een notariële of onderhandse akte van schenking. Hierin moet zijn aangegeven dat over een periode van minstens vijf jaar de gift wordt verstrekt. Voor periodieke giften geldt geen drempel en ook geen plafond.

Tip: Schenk periodiek als u geen last wilt hebben van de drempel of het plafond. Een notariële akte is niet nodig, een onderhandse akte is voldoende. Voor een onderhandse akte geldt wel een aantal eisen, maar een dergelijke akte kunt u downloaden vanaf de site van de Belastingdienst (www.belastingdienst.nl), zoekterm ‘overeenkomst periodieke giften’. Bereken wel of dit opweegt tegen het nadeel van de dalende tarieven in de komende jaren. Vanaf 2023 levert een gift immers nog maar een fiscaal voordeel op van maximaal 37,05%.

Maak uw (klein)kinderen blij met een schenking
Profiteer ook dit jaar nog van de jaarlijkse schenkvrijstelling. Zo kunt u in 2018 uw kinderen belastingvrij € 5.363 schenken en uw kleinkinderen of derden € 2.147.

Voor kinderen tussen 18 en 40 jaar bestaat er een eenmalige verhoging van dit bedrag tot:

  • € 25.731;
  • € 53.602 indien het bedrag gebruikt wordt voor een studie;
  • € 100.800 indien het bedrag gebruikt wordt voor een eigen woning.
Let op! De eenmalige schenking van € 100.800 ten behoeve van de eigen woning geldt ook voor andere personen dan de eigen kinderen.

Verhoging laag btw-tarief
Het lage btw-tarief wordt op 1 januari 2019 verhoogd van 6% naar 9%. Indien de verhoging verwerkt wordt in de prijzen, stijgen deze hierdoor met 2,83%. Dit zal met name te merken zijn aan de prijzen van levensmiddelen. Daarnaast zullen waarschijnlijk ook de prijzen van andere goederen en diensten onder het lage btw-tarief toenemen. Denk met name aan de kapper, fietsenmaker, boeken, tijdschriften, bloemen, planten, werkzaamheden aan woningen die ouder zijn dan twee jaar, culturele uitvoeringen, kamperen, logies, sportactiviteiten en personenvervoer. Koop dergelijke goederen en diensten zo mogelijk al in 2018.

Tip: Het kabinet heeft bekendgemaakt dat indien dergelijke goederen en diensten in 2018 worden besteld en ook al betaald, terwijl ze pas in 2019 worden geleverd, er geen naheffingen plaats zullen vinden. Laat u dus bijvoorbeeld uw meer dan twee jaar oude woning in 2019 opschilderen, maar betaalt u de rekening al in 2018, dan hoeft de schilder slechts 6% btw in rekening te brengen. Dit scheelt bijvoorbeeld op een rekening excl. btw van € 3.000 toch € 90.

Inkomen uit verhuur deel eigen woning is onbelast
Heeft u in 2018 een deel van uw eigen woning verhuurd, bijvoorbeeld via Airbnb, dan zijn deze inkomsten volgens een uitspraak van de rechter in Noord-Holland niet belast. Volgens de rechter zijn alleen inkomsten uit de verhuur van de gehele eigen woning belast. De staatssecretaris is het niet met de uitspraak eens en heeft hoger beroep aangetekend. Hierop is nog geen uitspraak gedaan.

Heeft u in 2018 een deel van uw eigen woning verhuurd, dan hoeft u de inkomsten dus niet aan te geven. Blijkt dat de rechter in hoger beroep van mening is dat de inkomsten wel belast zijn, dan dient u deze alsnog aan te geven. In dat geval moet u van de inkomsten 70% aangeven in box 1.

Let op! Bij omvangrijke inkomsten uit verhuur van een deel van uw eigen woning kan er ook sprake zijn van winst uit onderneming of van resultaat uit overige werkzaamheden. Dit is afhankelijk van de omvang van de verhuuractiviteiten en de mate waarin daarbij arbeid wordt verricht. Hoe groter de omvang, des te eerder er sprake zal zijn van professionele verhuur.

Beleg groen in box 3
Wilt u uw box 3-vermogen verlagen, denk dan ook eens aan groene beleggingen. Voor groene beleggingen geldt een vrijstelling in box 3 van maximaal € 57.845 (bedrag 2018). Heeft u een fiscale partner, dan bedraagt de vrijstelling voor u en uw partner gezamenlijk zelfs het dubbele (€ 115.690). Naast de vrijstelling in box 3 heeft u ook nog recht op een heffingskorting van 0,7% van het vrijgestelde bedrag in box 3.

Let op! De vrijstelling geldt niet voor de vermogenstoets in de toeslagen.

2. Tips voor ondernemers

 Speel in op lagere tarieven
De tarieven in de inkomstenbelasting gaan in 2019 omlaag. Ook het tarief in de vennootschapsbelasting daalt volgend jaar. Over de eerste € 200.000 winst betaalt uw bv dan 19% Vpb in plaats van 20% in 2018. Ook de jaren erna blijven de tarieven dalen. Het is daarom aan te bevelen kosten van uw onderneming, indien mogelijk, zo veel mogelijk in de tijd naar voren te halen en opbrengsten, indien mogelijk, zo veel mogelijk uit te stellen. Denk bijvoorbeeld aan de kostenegalisatiereserve, de herinvesteringsreserve, voorzieningen en aan vervroegd afschrijven.

Investeer nog dit jaar in energiezuinige bedrijfsmiddelen
Op tal van energiezuinige bedrijfsmiddelen ontvangt u een extra fiscale aftrek in de vorm van de energie-investeringsaftrek (EIA). U krijgt de extra aftrek op bedrijfsmiddelen die vermeld staan op de Energielijst (zie rvo.nl). De EIA bedraagt dit jaar 54,5%, maar daalt volgend jaar naar 45%. Het is daarom extra aantrekkelijk om energiezuinige investeringen nog dit jaar te plegen. Het scheelt u immers 9,5%-punt aan EIA. Voor de EIA geldt onder andere de voorwaarde dat het bedrijfsmiddel minimaal € 2.500 moet kosten.

Tip: Voor de EIA geldt het aangaan van de juridische verplichting, bijvoorbeeld het moment van tekenen van de aankooporder, als bepalend voor het jaar van de aftrek. Doet u dit nog in 2018, dan heeft u dus nog recht op 54,5% EIA.

Werk volgens een modelovereenkomst
Als u een derde inhuurt voor het verlenen van diensten, kunt u via een zogenaamde modelovereenkomst zekerheid krijgen over het al dan niet bestaan van een dienstbetrekking. Maakt u gebruik van een modelovereenkomst, dan heeft u alleen vrijwaring als ook daadwerkelijk volgens die overeenkomst wordt gewerkt. Wordt in de praktijk afwijkend gewerkt, dan vervalt de vrijwaring en kan de Belastingdienst alsnog op dat moment beoordelen of wel of niet sprake is van een dienstbetrekking.

De Belastingdienst heeft aangegeven dat er tot eind 2019 in beginsel niet wordt nageheven en beboet als er achteraf sprake blijkt te zijn van een dienstbetrekking en de opdrachtgever geen loonheffing en premies heeft ingehouden. Dit zal alleen anders zijn als er sprake is van een dienstbetrekking én er sprake is van evidente en opzettelijke schijnzelfstandigheid.

Let op! Het kabinet Rutte III heeft bekendgemaakt de wet die aan de modelovereenkomst ten grondslag ligt, weer te willen vervangen. Deze in 2016 ingevoerde wet ter vervanging van de VAR (verklaring arbeidsrelatie) zorgt voor te veel onzekerheid en onrust onder zzp’ers en hun opdrachtgevers. In plaats daarvan komt er een nieuwe wet, die opdrachtgevers en echte zzp’ers de zekerheid geeft dat geen sprake is van een dienstbetrekking. Beoogd is de wet per 2020 in te voeren.

Optimaliseer uw investeringsaftrek
Als u in 2018 voor meer dan € 2.300 investeert in bedrijfsmiddelen, heeft u recht op de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek. Deze aftrek geldt voor investeringen tussen de € 2.300 en € 314.673. Investeert u niet meer dan € 2.300? Dan kan het een overweging zijn om nog voor het eind van het jaar een investering te doen. Dreigt u het maximum van € 314.673 te overschrijden, dan kan het raadzaam zijn een deel van uw investeringen uit te stellen naar 2019.

Tip: Het kan ook lonen om grote investeringen te spreiden over meerdere jaren. De kleinschaligheidsinvesteringsaftrek neemt namelijk af naarmate het totale investeringsbedrag groter wordt. Zo levert een investering van € 100.000 in 2018 € 15.863 aan kleinschaligheidsinvesteringsaftrek op. Spreidt u de investering echter over 2018 en 2019 en investeert u dan ieder jaar € 50.000, dan levert dit € 28.000 aan kleinschaligheidsinvesteringsaftrek op.

Let op! Niet alle bedrijfsmiddelen komen in aanmerking voor de investeringsaftrek. Zo zijn bedrijfsmiddelen met een investeringsbedrag van minder dan € 450 uitgesloten, maar ook uitgesloten zijn bijvoorbeeld goodwill, grond, woonhuizen en personenauto’s die niet bestemd zijn voor beroepsvervoer.

Betaal een nog niet in gebruik genomen bedrijfsmiddel
Heeft u geïnvesteerd in een bedrijfsmiddel en dit bedrijfsmiddel nog niet in gebruik genomen en ook nog niet betaald, betaal dit jaar dan nog minstens een bedrag even groot als het bedrag van de investeringsaftrek. Doet u dit niet, dan krijgt u dit jaar de investeringsaftrek niet uitbetaald en wordt deze doorgeschoven naar volgende jaren. Bij een nog niet in gebruik genomen bedrijfsmiddel krijgt u dit jaar dus maximaal het bedrag dat u betaald heeft aan investeringsaftrek.

Let op! Betaal in ieder geval 25% van een nog niet in gebruik genomen investering binnen 12 maanden na het aangaan van de verplichting tot aankoop van het bedrijfsmiddel. Doet u dit niet, dan komt de hele investeringsaftrek te vervallen.

Maximeer investeringsaftrek bij gebruik herinvesteringsreserve
Als u een bedrijfsmiddel met boekwinst verkoopt, kunt u de boekwinst reserveren als herinvesteringsreserve. Bij latere aankoop van een ander bedrijfsmiddel kunt u de herinvesteringsreserve hierop afboeken. Zodoende hoeft u de boekwinst niet ineens af te rekenen.

Tip: Voor de bepaling van de investeringsaftrek is echter geregeld dat u mag kiezen of u met een afgeboekte herinvesteringsreserve rekening wenst te houden. U mag dit zelfs per bedrijfsmiddel aangeven. Op deze manier kunt u er – binnen zekere grenzen – een maximale investeringsaftrek uitslepen.

Let op! Als u voor een bedrijfsmiddel ook de milieu- of energie-investeringsaftrek (MIA/EIA) krijgt, moet u voor deze aftrekken wel uitgaan van hetzelfde bedrag. Een hogere investeringsaftrek door afboeking van de herinvesteringsreserve kan dan dus een lagere MIA of EIA opleveren.

Stel uw desinvestering uit tot volgend jaar
Heeft u in de afgelopen vijf jaar gebruikgemaakt van de investeringsaftrek en verkoopt u het bedrijfsmiddel weer of stoot u het bedrijfsmiddel af, dan krijgt u mogelijk te maken met de desinvesteringsbijtelling, waardoor u een gedeelte van de aftrek weer moet terugbetalen. Houd hier rekening mee.

Tip: Heeft u in 2014 geïnvesteerd in een bedrijfsmiddel en hiervoor investeringsaftrek genoten, dan loopt de desinvesteringstermijn af op 31 december 2018. Voor dit bedrijfsmiddel loont het de moeite om de desinvestering uit te stellen tot 2019. U voorkomt daarmee een desinvesteringsbijtelling.

Voor investeringen in 2013 en voorgaande jaren is de desinvesteringstermijn in 2018 al verlopen. Deze bedrijfsmiddelen kunt u ook in 2018 al desinvesteren zonder dat u te maken krijgt met een desinvesteringsbijtelling. Voor investeringen in 2015 en latere jaren verloopt de desinvesteringstermijn op zijn vroegst pas in 2020.

Let op! De desinvesteringsbijtelling wordt maximaal berekend over het investeringsbedrag voor zover daarover investeringsaftrek in aanmerking is genomen.

Tip: De desinvesteringsbijtelling geldt voor alle soorten investeringsaftrek, dus ook voor de EIA en MIA.

Vorm een herinvesteringsreserve voor een verkocht bedrijfsmiddel
Heeft u een bedrijfsmiddel verkocht en daarbij een boekwinst behaald, dan kunt u de belastingheffing over de boekwinst uitstellen door deze te reserveren in een herinvesteringsreserve. Voorwaarde is dat u een vervangingsvoornemen heeft en houdt. U kunt de herinvesteringsreserve maximaal drie jaar na het jaar waarin u het bedrijfsmiddel heeft verkocht, in stand houden. Investeert u binnen deze termijn in een ander bedrijfsmiddel, dan kunt u de herinvesteringsreserve afboeken op de aanschafprijs van het nieuwe bedrijfsmiddel. Doet u dat niet, dan valt de herinvesteringsreserve aan het einde van het derde jaar in de winst. Vanwege de verlaging van de tarieven de komende jaren, kan dit toch voordelig zijn. Het is dan ook in veel gevallen voordelig om zo mogelijk een herinvesteringsreserve te vormen.

Voor het vormen en aanwenden van een herinvesteringsreserve gelden enkele voorwaarden. Laat u zich hierover goed informeren en adviseren.

Tip: Stelt u bepaalde vermogensbestanddelen ter beschikking aan bijvoorbeeld uw bv? Dan mag u als terbeschikkingsteller ook een herinvesteringsreserve vormen.

Laat uw herinvesteringsreserve niet verlopen
Laat de termijn voor in het verleden gevormde herinvesteringsreserves niet verlopen. Een herinvesteringsreserve die u in 2015 gevormd heeft, moet u nog voor 31 december 2018 benutten. Doet u dat niet, dan valt de herinvesteringsreserve vrij en bent u belasting verschuldigd. Investeer daarom op tijd!

Let op! Op de termijn van drie jaar waarbinnen u moet herinvesteren, bestaan twee uitzonderingen. De eerste is als vanwege de aard van het bedrijfsmiddel meer tijd nodig is. Denk bijvoorbeeld aan de investering in een chemische fabriek waarvoor diverse vergunningen nodig zijn. De tweede uitzondering is van toepassing als er bijzondere omstandigheden zijn waardoor de aankoop is vertraagd. Er moet in dat geval wel op zijn minst een begin van uitvoering met de aankoop gemaakt zijn. Ook zult u de vertragende factoren desgewenst aannemelijk moeten maken.

Voorkom verliesverdamping
Beoordeel of uw ondernemingsverlies uit het verleden nog tijdig kan worden verrekend. U kunt namelijk in de vennootschapsbelasting uw verlies alleen verrekenen met de belastbare winst uit het voorafgaande jaar (carry-back) of met de winsten uit de komende negen jaar (carry-forward). Uw ondernemingsverlies in de inkomstenbelasting kunt u verrekenen in box 1 met positieve inkomsten uit de drie voorafgaande jaren en de negen volgende jaren.

Tip: Dreigt uw verlies uit het verleden verloren te gaan vanwege het verlopen van de termijn? Beoordeel dan of er mogelijkheden zijn om uw winst dit jaar te verhogen. U kunt bijvoorbeeld bepaalde uitgaven uitstellen of omzetten eerder realiseren. Een in januari geplande verkoop van een bedrijfsmiddel wordt dan wellicht in december extra aantrekkelijk. Overleg met uw adviseur over de mogelijkheden.

Let op! De voorwaartse verliesverrekening voor de vennootschapsbelasting wordt in 2019 teruggebracht naar zes jaar in plaats van de huidige negen jaar. Op deze vorm van verliesverrekening is overgangsrecht van toepassing. Dit betekent dat de nieuwe, kortere termijn van voorwaartse verliesverrekening niet geldt voor verliezen die tot 2019 zijn geleden. Deze verliezen houden gewoon hun bestaande verrekentermijn van negen jaar en verdampen dus uiterlijk pas na 2027. Verder geldt dat de hoofdregel dat oudere verliezen vóór nieuwere verliezen verrekend worden niet geldt als dit in de nieuwe situatie ongunstig uitpakt voor de belastingplichtige. Op deze manier worden de bestaande regels zo veel mogelijk gerespecteerd.

Vraag een voorlopige verliesverrekening aan
Heeft u in 2017 winst behaald, maar sluit u 2018 vermoedelijk af met een verlies? Dan kunt u de Belastingdienst na het indienen van de aangifte inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting 2018 verzoeken om een voorlopige verliesverrekening. De Belastingdienst zal dan alvast 80% van het vermoedelijke verlies verrekenen met de winst van 2017.

Let op! Een voorlopige verliesverrekening levert u een liquiditeitsvoordeel op, want u kunt sneller beschikken over een deel van het nog terug te verwachten belastinggeld. De voorlopige verliesverrekening wordt naderhand verrekend met de definitieve verliesverrekening.

Beoordeel de hoogte van uw winst
Aan het eind van het jaar heeft u meer duidelijkheid over uw winstpositie. Beoordeel of uw winst in lijn ligt met de verwachtingen. Wellicht overschrijdt u net de belastingschijf in de vennootschapsbelasting van € 200.000. Hierboven bedraagt de belasting 25% in plaats van 20%. Of komt u in de inkomstenbelasting in het hoogste tarief. Het kan dan aantrekkelijk zijn om uw winst te verlagen door bijvoorbeeld een geplande investering naar voren te halen. Houd hierbij wel rekening met de invloed die dit heeft op uw totale kleinschaligheidsinvesteringsaftrek.

Tip: Wijkt uw winst af, vraag dan op tijd een nieuwe voorlopige aanslag aan. Hiermee voorkomt u de hoge belastingrente of, bij een teruggave, voorkomt u dat uw geld renteloos uitstaat bij de Belastingdienst.

Pas de KOR dit jaar nog toe
Indien u op jaarbasis maximaal € 1.883 aan btw (na aftrek van voorbelasting) verschuldigd bent, komt u in aanmerking voor de kleineondernemersregeling (KOR). In dat geval hoeft u een deel van de btw niet te voldoen. Er geldt zelfs een vermindering van 100% indien u op jaarbasis niet meer dan € 1.345 aan btw verschuldigd bent. Ga daarom na of u de KOR kunt toepassen.

De KOR kan alleen worden toegepast door natuurlijke personen. Hieronder vallen ook samenwerkingsverbanden van natuurlijke personen, zoals een maatschap of een vennootschap onder firma.

Let op! Het bedrag dat als gevolg van de KOR niet hoeft te worden afgedragen (of wordt terugontvangen), is een extra opbrengst in de winst.

De KOR wordt in 2020 gewijzigd. De nieuwe regeling gaat uit van een omzetgrens van € 20.000. Ondernemers die minder omzet hebben dan € 20.000 kunnen ervoor kiezen geen btw in rekening te brengen. De regeling is dus niet verplicht. De nieuwe KOR gaat ook gelden voor rechtspersonen, zoals bv’s, stichtingen en verenigingen. Die kunnen momenteel niet van de regeling gebruikmaken. Ondernemers die in de loop van het jaar de omzetgrens van € 20.000 overschrijden, zijn vanaf dat moment gewoon btw-plichtig, inclusief alle bijbehorende fiscale en administratieve verplichtingen.

Ondernemers die in 2020 de nieuwe KOR willen toepassen, dienen dit vooraf te melden bij de inspecteur. Dit kan vanaf 1 juni 2019. De melding moet uiterlijk 20 november 2019 binnen zijn, anders gaat de nieuwe KOR pas in op 1 april 2020. Een eenmaal gemaakte keuze voor de KOR kan slechts eenmaal per drie jaren worden herzien.

Houd de herzieningstermijn in de gaten
Heeft u in de afgelopen tien jaar een onroerende zaak met btw aangeschaft, let er dan op dat de in aftrek gebrachte btw in het jaar van ingebruikname en de negen opvolgende jaren in bepaalde gevallen moet worden gecorrigeerd. Dit is het geval als de verhouding van het gebruik van de onroerende zaak voor btw-belaste versus btw-vrijgestelde prestaties is gewijzigd ten opzichte van het gebruik waarvan u uitging op het moment van aanschaf. Dit heeft tot gevolg dat u mogelijk btw moet terugbetalen of terugkrijgt van de Belastingdienst. Deze herzienings-btw geeft u op in de laatste btw-aangifte van het jaar. Wij kunnen u hierover meer vertellen.

Let op! Ook voor roerende zaken waarop dient te worden afgeschreven, geldt een herzieningstermijn. De termijn hiervoor bedraagt echter het jaar van ingebruikname en de vier jaren erna.

Vergeet btw privégebruik auto niet in uw laatste btw-aangifte
Voor auto’s van de zaak die ook privé gebruikt worden, moet in de laatste btw-aangifte van het jaar btw over het privégebruik betaald worden. Daar staat tegenover dat u door het jaar heen de btw op de aanschaf, eventuele leasekosten, het onderhoud en het gebruik van een zakelijke auto kunt aftrekken, voor zover de auto wordt gebruikt voor belaste omzet.

Voor het btw-privégebruik kunt u gebruikmaken van een forfaitaire regeling. Voor de btw-heffing over het privégebruik gaat u dan uit van 2,7% van de catalogusprijs van de auto, inclusief btw en bpm.

Tip: Voor de auto die vijf jaar (inclusief het jaar van ingebruikneming) in de onderneming is gebruikt en tot uw bedrijfsvermogen hoort, geldt een lager forfait van 1,5%. Heeft u bij de aankoop van de auto geen btw in aftrek gebracht, dan mag u voor de berekening van het privégebruik eveneens uitgaan van 1,5%.

Let op! U hoeft geen gebruik te maken van de forfaitaire regeling. U mag namelijk ook btw betalen over het werkelijke privégebruik. Dit kan soms voordeliger zijn dan de forfaitaire regeling. U moet dan wel een registratie van de gereden kilometers bijhouden. Houd er wel rekening mee dat in dit geval woon-werkverkeer als privé wordt gezien.

Tip: De niet-aftrekbare btw in verband met het privégebruik is een kostenpost voor uw bedrijf en dus aftrekbaar van de winst. Vergeet deze niet!

Speel in op nieuwe fietsenregeling
Er komt vanaf 2020 een nieuwe regeling voor de fiets van de zaak. Net als bij de auto moet er belasting betaald worden over de consumentenadviesprijs van de fiets. Dat is het geval als de fiets ter beschikking staat voor woon-werkverkeer. Dan wordt u namelijk verondersteld de fiets ook privé te gebruiken. De bijtelling voor de fiets gaat 7% bedragen. Hoeveel u als ondernemer daardoor aan extra belasting betaalt, hangt af van de prijs van de fiets en van uw inkomen. Hogere inkomens betalen dus meer voor het fietsgebruik. De bijtelling omhelst niet eventuele accessoires die worden aangeschaft, zoals regenpakken, fietstassen etc. Daarvoor gelden de normale regels van de werkkostenregeling.

Tip: U kunt op de regeling inspelen door een fiets pas vanaf 2020 op de zaak te zetten. Tot die tijd kunt u bijvoorbeeld de eigen fiets gebruiken voor zakelijke ritten, waaronder woon-werkverkeer, en hiervoor € 0,19/km ten laste van de winst brengen. 

De nieuwe fietsregeling zal gaan gelden voor alle soorten fietsen, en zelfs voor bromfietsen die mede door spierkracht worden voortbewogen en beschikken over een elektromotor. Deze laatste categorie ziet met name op de speed-pedelecs.

Verzoek om vergoeding coulancerente
U heeft geen wettelijk recht op een rentevergoeding bij verrekening van een verlies met winst uit een ouder jaar. Dit geldt zowel voor de inkomsten- als voor de vennootschapsbelasting. In die gevallen kunt u echter wel verzoeken om vergoeding van coulancerente. Een dergelijk verzoek wordt ingewilligd, op voorwaarde dat de behandeling van uw verzoek om teruggave langer heeft geduurd dan gebruikelijk.

Hiervan is sprake als bij het vaststellen van de verliesverrekening het afhandelen van de aangifte langer dan een jaar heeft geduurd. Dit moet bovendien te wijten zijn aan getreuzel bij de Belastingdienst. De schuld voor de vertraging mag dus niet bij u zelf liggen. Bovendien gaat het alleen om het deel van het verlies waarvoor u geen voorlopige verliesbeschikking heeft kunnen vragen. U kunt dit vragen voor 80% van het verlies, dus slechts voor 20% van het verlies heeft u recht op de vergoeding voor coulancerente.

Let op! Een verzoek om coulancerente kunt u indienen via een formulier dat u kunt downloaden vanaf de site van de Belastingdienst, zoekterm ‘verzoek coulancerente’.

Tip: Het percentage coulancerente bedraagt voor de inkomstenbelasting nu 4% en voor de vennootschapsbelasting 4%.

Lage btw? Factureer vooruit!
Het lage btw-tarief gaat per 1 januari 2019 omhoog, van 6 naar 9%. De verhoging betreft met name levensmiddelen, de kapper, de fietsenmaker, boeken, tijdschriften, bloemen, planten, werkzaamheden aan woningen die ouder zijn dan twee jaar, culturele uitvoeringen, kamperen, logies, sportactiviteiten en personenvervoer. Het kabinet heeft bekendgemaakt dat goederen en diensten die in 2018 al worden betaald maar pas in 2019 geleverd, niet te maken krijgen met een naheffing over de verhoging van de btw. Levert u aan ondernemers, dan bent u verplicht een factuur uit te reiken. Als u de factuur in 2018 uitreikt maar de betaling pas in 2019 ontvangt, mag u toch het 6%-tarief toepassen. Deze mogelijkheid geldt niet bij prestaties aan particulieren, ongeacht of u wel of niet een factuur uitreikt.

Tip: Dit biedt bijvoorbeeld schilders de mogelijkheid nu al diensten in rekening te brengen tegen het lage btw-tarief en deze pas in 2019 uit te voeren. Van belang bij particulieren is dan wel dat de factuur al in 2018 betaald is.

Let op! Houd rekening met de btw-wijziging in offertes die betrekking hebben op de periode na 2018. Hierin moet u voor genoemde goederen en diensten dus rekenen met 9% btw.

Vraag btw op oninbare vordering terug
Bij kwijtschelding of wanbetaling van een factuur door een van uw afnemers, kunt u de al in rekening gebrachte en afgedragen btw terugkrijgen. Het moet dan duidelijk zijn dat uw afnemer niet zal betalen, zoals bij een faillissement. Maar soms is ook al eerder duidelijk dat u niet meer op betaling hoeft te rekenen.

Tip: Indien een vordering één jaar na opeisbaarheid nog niet is betaald, kunt u de btw in ieder geval terugvragen.

Let op! De btw op de vordering kan in de reguliere aangifte worden teruggevraagd in het tijdvak waarin de vordering oninbaar is gebleken.

3. Tips voor de ondernemer in de inkomstenbelasting

 Gemengde kosten: percentage of vast bedrag niet aftrekbaar
De aftrek van kosten met een gedeeltelijk privékarakter is beperkt tot 80%. Het betreft:

  • voedsel, drank en genotmiddelen;
  • representatie, waaronder recepties, feestelijke bijeenkomsten en vermaak;
  • congressen, seminars, symposia, excursies, studiereizen en dergelijke.

U mag er ook voor kiezen een vast bedrag van € 4.500 niet in aftrek te brengen.

Tip: Dit is alleen voordeliger als u in een jaar meer dan € 22.500 aan bovengenoemde kosten maakt.

Zet uw stakingswinst om in een lijfrente
Staakt u uw onderneming in 2018? Voorkom dan directe afrekening door de stakingswinst om te zetten in een lijfrente. Doet u dit in 2019, dan is de premie nog aftrekbaar in 2018 mits deze vóór 1 juli 2019 is betaald. Op dezelfde wijze is het ook mogelijk om de oudedagsreserve (FOR) om te zetten in een lijfrente.

De tariefsverlagingen in de komende jaren maken de aankoop van een lijfrente extra aantrekkelijk. U trekt nu immers uw storting af tegen maximaal 51,95%, terwijl u vanaf 2023 slechts maximaal 49,5% belasting betaalt over de uitkering.

Let op! De betaalde lijfrentepremie vermindert de te betalen belasting, maar niet de te betalen Zvw-premie. Over de te zijner tijd te ontvangen uitkering betaalt u echter ook premie Zvw. Dit betekent in feite een dubbele heffing, voor zover uw inkomen bij uitbetaling van de lijfrentetermijnen onder de Zvw-premiegrens valt en u nu de Zvw-premiegrens nog niet heeft bereikt. Hierdoor wordt het nettorendement van de lijfrente in deze gevallen kleiner.

Houd rekening met bedrijfsrisico’s bij aanhouden liquiditeiten
Ondernemers in de inkomstenbelasting mogen liquide middelen niet onbeperkt in kas houden. Duurzaam overtollige middelen worden fiscaal namelijk aangemerkt als privévermogen. Wat als ‘duurzaam overtollig’ moet worden aangemerkt, kan per situatie verschillen. Zo besliste de rechter onlangs dat een advocaat bijna € 400.000 aan liquide middelen in kas mocht houden vanwege diverse bedrijfsrisico’s. Deze hadden betrekking op het marktsegment waarin de advocaat opereerde, op het mogelijke vertrek van een collega en op de gezondheid van de advocaat. Doordat een groter bedrag aan liquiditeiten kon worden aangehouden, kon ook een grotere oudedagsreserve worden opgebouwd en werd box 3-heffing over dat deel van de liquide middelen voorkomen.

Tip: Ga bij de bepaling van de maximale omvang van uw liquiditeiten eerst na welke risico’s u hiermee moet afdekken. Hiervoor mag u de nodige liquiditeiten reserveren. Alleen het meerdere kan mogelijk als duurzaam overtollig worden aangemerkt en moet u overbrengen naar privé. U betaalt over deze liquiditeiten dan belasting in box 3. Hoeveel dit is, hangt af van de omvang van uw privévermogen.

Plan opname liquiditeiten
Liquiditeiten met een laag rendement, zoals uw bedrijfsbankrekening, kunt u het best na 31 december overbrengen naar privé. Op die manier voorkomt u de relatief hoge heffing in box 3. Andersom is het raadzaam noodzakelijke liquiditeiten vanuit privé voor 31 december van dit jaar over te maken naar uw bedrijfsrekening.

Let op! Pas op voor de antimisbruikmaatregelen inzake dit zogenaamde boxhoppen. Vermogen dat voor 1 januari vanuit box 3 naar box 1 of 2 wordt overgebracht én dat niet langer dan zes aaneengesloten maanden binnen deze box gebruikt wordt, rekent de fiscus toe aan beide boxen. Hierover betaalt u dan dubbel belasting. Voor vermogen dat langer dan drie maanden, maar minder dan zes maanden van box is verwisseld, bestaat nog een tegenbewijsregeling. Dit betekent dat er geen dubbele heffing plaatsvindt als u aannemelijk maakt dat er voor de vermogensschuif zakelijke motieven bestonden.

Welke beloning voor meewerkende partner?
Is uw partner niet bij u in loondienst, maar werkt hij of zij wel mee in het bedrijf, dan kunt u hiermee fiscaal rekening houden. U kunt kiezen voor de meewerkaftrek, een percentage van de winst dat afhankelijk is van het aantal meegewerkte uren. U kunt echter ook kiezen voor de arbeidsbeloning. Dit moet een reëel uurloon zijn voor de verrichte werkzaamheden en dient in een jaar minimaal € 5.000 te bedragen.

Let op! De meewerkaftrek heeft geen gevolgen voor het inkomen van uw partner. De arbeidsbeloning wel, want uw partner wordt hier zelf voor belast en betaalt hier ook premies Zvw over. Bereken wat voor u de voordeligste optie is en pas deze toe. U mag jaarlijks voor een andere beloningsvorm kiezen als u dat wilt. Zorg wel dat u een eventuele meewerkbeloning schriftelijk vastlegt en ook daadwerkelijk betaalt. Voor de meewerkaftrek is dat niet nodig.

Deel de bijtelling met uw partner
Werkt uw partner mee in uw onderneming en valt hij of zij in een lagere belastingschijf? Deel de bijtelling voor de auto dan met uw partner. U betaalt dan samen wellicht minder belasting. Valt uw inkomen in de hoogste schijf (51,95%) en dat van uw partner in schijf 2 of 3 (40,85%), dan heeft u bijvoorbeeld bij een auto met een cataloguswaarde van € 40.000 en 22% bijtelling samen een voordeel van € 420.

Let op! Een verdeling is fiscaal aanvaardbaar als aannemelijk is dat uw partner de auto ook gebruikt voor de werkzaamheden in het bedrijf.

Verzoek om compensatie Bbz
Ondernemers die door financiële tegenslag in de bijstand terechtkomen, krijgen in de regel eerst een lening. Deze wordt na een jaar kwijtgescholden, indien de lening niet kan worden terugbetaald. De lening wordt op dat moment aangemerkt als inkomen, waardoor meer belasting verschuldigd is en minder recht op toeslagen bestaat. Dit ongewenste effect blijft door een wetswijziging sinds 2017 achterwege. Besloten is om wat betreft de toeslagen een compensatieregeling te treffen voor ondernemers van wie in de jaren 2014, 2015 en 2016 een dergelijke lening is kwijtgescholden. Ondernemers die voor deze compensatie in aanmerking willen komen, moeten daartoe een schriftelijk verzoek richten tot de Belastingdienst. Het verzoek moet vergezeld gaan van de nodige bewijsstukken waaruit blijkt dat men voor de regeling in aanmerking komt.

Let op! De compensatieregeling is nog niet door het parlement aangenomen, maar ondernemers kunnen een verzoek tot compensatie nu al wel indienen. De compensatie kan tot uiterlijk 31 december 2019 worden aangevraagd.

Houd bij winstbepaling rekening met toeslagen
Als ondernemer in de inkomstenbelasting kunt u de hoogte van de winst op het einde van het jaar voor een deel zelf beïnvloeden. Denk bijvoorbeeld aan al dan niet versneld afschrijven voor starters en voor de Vamil (milieu-investeringen), al dan niet doteren aan de oudedagsreserve en aan het al dan niet vormen van voorzieningen en reserves.

Houd bij deze beslissingen ook rekening met uw eventuele recht op toeslagen, nu en in de toekomst. Heeft u bijvoorbeeld dit jaar geen recht op toeslagen, maar volgend jaar wel omdat u dan een huurwoning betrekt of gebruik gaat maken van kinderopvang, dan kunt u waarschijnlijk beter pas volgend jaar uw winst drukken dan nu al. Uiteraard alleen als het verschil de moeite waard is en u het zich financieel kunt veroorloven.

Let op! Stel dat u door het (uiteraard geoorloofd) schuiven met inkomsten en/of aftrekposten uw winst volgend jaar met € 10.000 kunt verlagen, waardoor uw inkomen geen € 35.000 bedraagt maar € 25.000 en dat u volgend jaar ook een huurwoning betrekt en voor twee kinderen kinderopvang afneemt, dan kan u dit zomaar ruim € 3.200 aan extra toeslag schelen.

Houd rekening met vermogenstoets toeslagen
Lagere inkomens hebben vaak recht op een of meer toeslagen. We kennen de zorgtoeslag, de huurtoeslag, de kinderopvangtoeslag en het kindgebonden budget. Voor alle toeslagen, behalve de kinderopvangtoeslag, geldt een zogenaamde vermogenstoets. Dit betekent dat u geen recht heeft op de toeslag als uw vermogen te groot is. De toetsdatum is 1 januari. Voor de zorgtoeslag en het kindgebonden budget geldt voor 2018 een toetsvermogen van maximaal € 113.415. Heeft u een partner, dan geldt een maximum van € 143.415. Voor de huurtoeslag geldt een maximumvermogen van € 30.000 (respectievelijk € 60.000 als u een partner heeft).

Tip: Heeft u een vermogen rond de genoemde maxima én recht op een of meer toeslagen, dan kan het raadzaam zijn uw vermogen te drukken. Bijvoorbeeld door een deel van uw hypotheek af te lossen of een geplande, grotere aankoop naar voren te halen. Ook kan het raadzaam zijn om binnen de fiscale mogelijkheden minder vermogen uit uw bedrijf naar privé over te brengen.

Zonnepanelen op woon-bedrijfspand: meer btw terug
Heeft u in 2018 zonnepanelen geplaatst op uw woon-bedrijfspand, dan kunt u meer btw terugvragen. De btw op de zonnepanelen kunt u als ondernemer terugkrijgen als u de zonnepanelen ook zakelijk gebruikt en voor de btw tot uw ondernemingsvermogen rekent.

Tip: Mogelijk komt u ook nog in aanmerking voor energie-investeringsaftrek.

Tip: U mag een deel van het dak waarop de zonnepanelen geplaatst zijn tot het ondernemingsvermogen rekenen. Ook over dit deel kunt u de btw terugkrijgen.

Volgens de rechter behoort na plaatsing van de zonnepanelen niet het hele dak tot het ondernemingsvermogen, maar slechts het deel van het dak waarop de zonnepanelen geplaatst zijn. De uitspraak leert ons dat door het plaatsen van de zonnepanelen een groter deel van het pand als zakelijk kan worden aangemerkt. Hierdoor hoeft u over een periode van maximaal tien jaar minder btw te betalen.

4. Tips voor de bv en de dga

Mogelijkheden voor opgebouwd pensioen in eigen beheer
Sinds 1 juli 2017 is de opbouw van pensioen in eigen beheer niet meer mogelijk. De dga heeft nog tot en met 2019 de tijd om te kiezen wat hij wenst te gaan doen met zijn reeds in eigen beheer opgebouwde pensioen. Er zijn drie mogelijkheden:

  • Fiscaal geruisloos afstempelen naar fiscale waarde, gevolgd door afkoop met een korting en zonder revisierente;
  • Fiscaal geruisloos afstempelen naar fiscale waarde, gevolgd door omzetting in een oudedagsverplichting;
  • Het bevriezen van het bestaande pensioen in eigen beheer.

Afkopen met korting kan nog tot en met 2019. Deze bedraagt 25% in 2018 en nog maar 19,5% in 2019. De korting wordt toegepast op de fiscale waarde per 31 december 2015 of de fiscale waarde per afkoopdatum als die lager is dan de waarde eind 2015. Koopt u af in 2018, dan bent u derhalve loonheffing verschuldigd over 75% van de fiscale balanswaarde per 31 december 2015. Het verschil tussen de fiscale waarde per afkoopdatum en per 31 december 2015 wordt voor 100% belast. Het jaar van afkoop is niet van invloed op de revisierente: zowel bij afkoop in 2018 en 2019 bent u geen revisierente verschuldigd.

Ook omzetten in een oudedagsverplichting kan in 2018 en 2019. Zet u om in een oudedagsverplichting en wilt u alsnog afkopen? Dan is dit in de jaren tot en met 2019 nog mogelijk met de korting en zonder revisierente.

Tip: Welke keuze u moet maken, is niet eenvoudig te bepalen. Ook is niet elke keuze altijd mogelijk, bijvoorbeeld omdat liquide middelen voor afrekening met de Belastingdienst ontbreken of omdat de instemming van een ex-partner nodig is. Overleg met onze adviseurs over uw mogelijkheden en de voor- en nadelen van de mogelijke keuzes in uw persoonlijke situatie.

Speel in op lagere tarieven vennootschapsbelasting
Het tarief van de vennootschapsbelasting gaat de komende drie jaren dalen. Het tarief voor de eerste € 200.000 winst bedraagt in 2018 20% en daalt in 2019 naar 19%. Het tarief daalt verder in 2020 en komt in 2021 uit op 15%. Het tarief voor het deel van de winst dat boven de € 200.000 uitstijgt, is in 2018 belast tegen 25%. Dit tarief blijft in 2019 gelijk, daalt in 2020 en daalt in 2021 verder naar 20,5%.

Tip: Het is aan te bevelen kosten van uw onderneming, indien mogelijk, zo veel mogelijk in de tijd naar voren te halen of inkomsten, indien mogelijk, zo veel mogelijk naar de toekomst door te schuiven. Denk bijvoorbeeld aan de kostenegalisatiereserve, de herinvesteringsreserve, voorzieningen en aan vervroegd afschrijven.
 

Dividend vóór 2020 uitkeren?
Het tarief van de aanmerkelijkbelangheffing (box 2) gaat in 2020 omhoog van 25 naar 26,25%. Vanaf 2021 geldt een verdere verhoging naar 26,9%. Het kan daarom lonend zijn een eventuele dividenduitkering vóór 2020 te laten plaatsvinden, als u deze uitkering consumptief gebruikt of voor het aflossen van een excessieve lening bij uw bv.

Gebruikt u het uitgekeerde dividend niet voor een van deze doelen, dan behoort het tot uw privévermogen en wordt het belast in box 3. Of dit aantrekkelijk is, hangt onder meer af van de vraag of u spaart of belegt in box 3, wat dan het behaalde rendement is en hoeveel belasting u hierover betaalt. Dit is weer afhankelijk van de omvang van uw vermogen in box 3. Met name als u weinig rendement verwacht omdat u met uw vermogen weinig risico wilt nemen én als u over veel vermogen beschikt, is sparen of beleggen in de bv meestal voordeliger.

Tip: Dividend uitkeren om louter belasting in box 2 te besparen, is vaak niet aan te raden. Dat wordt anders als het rendement toeneemt dan wel u over weinig vermogen in privé beschikt.

Voorkom belastingrente: verzoek om een voorlopige aanslag
Met betrekking tot uw aanslag vennootschapsbelasting 2018 rekent de Belastingdienst vanaf 1 juli 2019 een rente van 8%! Voorkom deze hoge rente en controleer of uw voorlopige aanslag juist is. Is deze te laag, vraag dan zo snel mogelijk een nieuwe voorlopige aanslag aan.

Tip: Vraag ook om een lagere voorlopige aanslag als uw voorlopige aanslag te hoog is. In tegenstelling tot vroeger kunt u niet meer ‘sparen’ bij de Belastingdienst. De Belastingdienst vergoedt namelijk over het algemeen geen rente meer over een te hoge aanslag.

Lager gebruikelijk loon voor innovatieve start-ups
Wordt uw bv voor toepassing van de S&O-afdrachtvermindering in 2018 als starter aangemerkt? Dan mag u uw gebruikelijk loon vaststellen op het wettelijk minimumloon. U kunt deze start-upregeling maximaal drie jaar toepassen.

Lager gebruikelijk loon voor andere dga’s
Ook dga’s die niet als dga van een innovatieve start-up worden aangemerkt, kunnen het gebruikelijk loon onder voorwaarden lager vaststellen dan € 45.000. Er geldt namelijk een tegenbewijsregeling voor de hoofdregel dat het loon van een dga het hoogste van de volgende bedragen bedraagt:

  • 75% van het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking;
  • het hoogste loon van de overige werknemers van de bv of daarmee verbonden vennootschappen (lichamen);
  • € 45.000.
Let op! Om het loon lager dan € 45.000 vast te stellen, moet u aannemelijk maken dat het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking lager is dan € 45.000. Lukt dat niet, dan bedraagt het gebruikelijk loon altijd minimaal € 45.000.

Verminder gebruikelijk loon met kostenvergoedingen en auto van de zaak
Kostenvergoedingen kunt u in mindering brengen op het gebruikelijk loon. Het maakt niet uit of de kostenvergoedingen belast of onbelast zijn. Denk bijvoorbeeld aan een onbelaste vergoeding voor maaltijden of reiskosten. Ook de bijtelling vanwege privégebruik van de auto van de zaak telt mee voor het gebruikelijk loon. Bij een auto van bijvoorbeeld € 60.000 en een bijtelling van 22%, kunt u het gebruikelijk loon dus met € 60.000 x 22% = € 13.200 lager vaststellen.

Door de vermindering van het gebruikelijk loon, dat in 2018 minstens € 45.000 dient te bedragen, betaalt u als dga minder belasting in box 1.

Beperking verliesverrekening voor bv en dga
Verliesverrekening door bv’s vindt plaats in de vennootschapsbelasting. Door de verliesverrekening kunnen positieve en negatieve resultaten veelal tegen elkaar worden weggestreept. Niet onbeperkt, want verliezen kunnen achterwaarts slechts één jaar worden verrekend. Voorwaarts kan dit negen jaar, maar vanaf volgend jaar nog maar zes jaar.

Als u minstens 5% van de aandelen in een bv bezit, heeft u in fiscale zin een aanmerkelijk belang. Een verlies uit aanmerkelijk belang kan ontstaan door bijvoorbeeld rente die u betaalt op een lening die is gebruikt voor de aanschaf van de aandelen. Ook is het mogelijk dat u verlies lijdt bij verkoop van aandelen in een onderneming waarin u een aanmerkelijk belang heeft. Dit verlies kunt u één jaar achterwaarts en negen jaar voorwaarts verrekenen. Dit kan in beginsel alleen met positieve inkomsten in box 2. Ook deze termijn van negen jaar wordt vanaf volgend jaar teruggebracht naar zes jaar.

Let op! Op beide vormen van verliesverrekening is overgangsrecht van toepassing. Dit betekent dat de nieuwe, kortere termijn van voorwaartse verliesverrekening niet geldt voor verliezen die tot 2019 zijn geleden. Deze verliezen houden gewoon hun bestaande verrekentermijn van negen jaar en verdampen dus uiterlijk pas na 2027.

Verder geldt dat de hoofdregel dat oudere verliezen vóór nieuwere verliezen verrekend worden, niet geldt als dit in de nieuwe situatie ongunstig uitpakt voor de belastingplichtige. Op deze manier worden de bestaande regels zo veel mogelijk gerespecteerd.

Beperking lenen bij eigen bv
Het excessief lenen bij de eigen bv voor dga’s wordt met ingang van 2022 aan banden gelegd. Het kabinet heeft aangekondigd dat in het voorjaar van 2019 een wetsvoorstel zal worden ingediend, waarin een en ander wordt geregeld. Het voorstel behelst om leningen bij de eigen bv te belasten tegen het tarief in box 2. Dit zou dan alleen gelden voor zover het totaal van alle leningen meer dan € 500.000 bedraagt, waarbij leningen ten behoeve van de eigen woning zijn uitgezonderd.

Tip: U kunt belastingheffing voorkomen door dividend uit te keren in die gevallen waarin u meer dan € 500.000 bij uw bv heeft geleend. Doet u dit vóór 2020, dan betaalt u nog 25% belasting over dit dividend. In 2020 wordt dit tarief verhoogd naar 26,25%, in 2021 verder verhoogd naar 26,9%.

Beperking afschrijving gebouwen
De afschrijving op gebouwen in eigen gebruik in de vennootschapsbelasting wordt met ingang van 2019 beperkt tot 100% van de WOZ-waarde, in plaats van 50% van de WOZ-waarde nu. Er komt wel een overgangsmaatregel voor recentelijk aangeschafte gebouwen. Volgens deze overgangsmaatregel mag drie jaar volgens het oude regime worden afgeschreven, als een gebouw vóór 1 januari 2019 door de belastingplichtige in gebruik is genomen en er op dat gebouw nog geen drie jaar is afgeschreven. Het maakt in deze gevallen niet uit of de boekwaarde daardoor onder 100% van de WOZ-waarde komt, maar de boekwaarde mag niet onder de 50% van de boekwaarde komen. Voor panden die ter beschikking worden gesteld aan derden geldt deze overgangsmaatregel niet; de grens is en blijft daarvoor 100% van de WOZ-waarde.

Tip: Houd rekening met de beperking als u hierdoor vanaf 2019 in de vennootschapsbelasting niet meer op uw gebouw kunt afschrijven of van plan bent een gebouw voor eigen gebruik aan te schaffen. De beperking betekent dat een gebouw in eigen gebruik in relatie tot een huurpand duurder wordt. Het is wellicht lucratief een pand, waarop door de maatregel niet meer kan worden afgeschreven, te verkopen en terug te huren of te leasen.

Om de nadelige gevolgen van de afschrijvingsbeperking tegen te gaan, kunt u denken aan de volgende zaken:

  • Het vormen van een onderhoudsvoorziening.
  • Wees kritisch op de nieuwste WOZ-beschikking. Kijk bijvoorbeeld of de werktuigenvrijstelling kan worden toegepast en/of de waardering op de juiste wijze heeft plaatsgevonden.
  • Indien het pand duurzaam een lagere nutsopbrengst voor de onderneming heeft, is afwaardering naar een lagere bedrijfswaarde wellicht mogelijk.

5. Tips voor werkgevers

Loonkostenvoordeel voor lage lonen
Sinds 2017 krijgen werkgevers die werknemers in dienst hebben met een loon tussen 100% en 125% van het wettelijk minimumloon (WML), een nieuwe tegemoetkoming: het lage-inkomensvoordeel (LIV). Voor de LIV gelden de volgende voorwaarden:

  • Het gemiddelde uurloon van de werknemer bedraagt minimaal 100% en maximaal 125% van het WML voor iemand van 23 jaar of ouder.
  • Er is sprake van een substantiële baan (minimaal 1248 verloonde uren per kalenderjaar).
  • De werknemer heeft de AOW-gerechtigde leeftijd nog niet bereikt.

Wat betreft de verloonde uren gaat het om alle uitbetaalde uren, dus ook uren waarvoor niet gewerkt wordt. Denk aan betaald verlof, ziekte, overwerk en uitbetaalde verlofuren.

Tip: Ga na voor welke werknemers u op grond van het uurloon het loonkostenvoordeel zou kunnen ontvangen. Ga vervolgens na of zij het minimaal vereiste aantal uren werken. Zitten ze net onder de grens, dan kan het lonend zijn het aantal uren te verhogen. Zelfs als u uw werknemer extra betaald verlof zou geven, tellen de uren mee en kunt u het loonkostenvoordeel wellicht toch binnenhalen.

Het LIV is ook van toepassing op werknemers jonger dan 23. Zij moeten dan echter wel een gemiddeld uurloon hebben van minimaal 100% en maximaal 125% afgeleid van het WML voor iemand van 23 jaar of ouder.

Tip: U hoeft geen apart verzoek te doen voor het LIV. Het LIV wordt automatisch vastgesteld aan de hand van de in uw loonaangifte aanwezige gegevens.

Het LIV wordt vormgegeven als een vast bedrag per verloond uur met een vast bedrag als jaarmaximum, volgens de volgende tabel.

Hoogte loon Gemiddelde uurloon 100% tot 110% afgeleid van het WML Gemiddelde uurloon 110% tot 125% afgeleid van het WML
Vast bedrag per verloond uur € 1,01 per uur € 0,51 per uur
Maximale hoogte LIV € 2.000 per jaar € 1.000 per jaar

Voor de tegemoetkoming is het van belang dat u het uurloon binnen de marges houdt.

Tip: Voor jongeren die minder dan 100% afgeleid van het WML verdienen, kan het voordelig zijn het loon te verhogen tot binnen de marge. Voor werknemers met een uurloon rond 110% respectievelijk 125% afgeleid van het WML is het juist van belang dat ze niet boven de marge komen.

Tip: Is het uurloon te hoog, dan kunt u in plaats van loon wellicht gebruikmaken van alternatieven. Denk daarbij aan onbelaste kostenvergoedingen en het onderbrengen van belast loon in de werkkostenregeling. Dit loon telt namelijk niet mee voor de bepaling van het LIV.

Nieuw loonkostenvoordeel voor jongeren
Werkgevers die vanaf 1 januari 2018 jongere werknemers in dienst hebben, kunnen jeugd-LIV krijgen. Het minimumjeugdloon voor 18- tot en met 21-jarigen is sinds 1 juli 2017 flink verhoogd. Per 1 juli 2019 gebeurt dit nogmaals. Voor 18-, 19-, 20-jarigen gaat het vaste percentage van het wettelijk minimumloon dan verder omhoog. Voor 21-jarigen gaat dit naar 100%. Zij hebben dan recht op een volledig wettelijk minimumloon.

Ter compensatie is per 1 januari 2018 het lage-inkomensvoordeel (LIV) voor deze leeftijdscategorie ingevoerd. Een werkgever heeft dan, als aan de voorwaarden is voldaan, per werknemer recht op een tegemoetkoming per uur. Het voordeel kan in 2018 oplopen tot € 3.286,40 per werknemer per jaar.

Benut ook overige nieuwe loonkostenvoordelen
Het loonkostenvoordeel (LKV) is een nieuwe regeling die is ingegaan op 1 januari 2018. Het is een jaarlijkse tegemoetkoming voor werkgevers die oudere werknemers en werknemers met een arbeidsbeperking vanuit een uitkeringssituatie in dienst nemen of houden. Het LKV vervangt de premiekortingen voor arbeidsbeperkte en oudere werknemers. Om het LKV te ontvangen, heeft u een kopie van de doelgroepverklaring LKV van uw werknemer nodig. De korting kan oplopen tot € 6.000 per werknemer per jaar.

Benut uw mogelijkheden binnen de werkkostenregeling
Benut ook dit jaar uw mogelijkheden binnen de werkkostenregeling:

  • Beoordeel uw nog resterende vrije ruimte (1,2% van de totale fiscale loonsom). Het is niet mogelijk om de vrije ruimte die in 2018 over is, door te schuiven naar 2019. Maar als u vrije ruimte over heeft, kunt u uw werknemers dit jaar nog wel een aantal belastingvrije vergoedingen of verstrekkingen geven.
  • Houd hierbij rekening met het gebruikelijkheidscriterium. Dit is een lastig criterium, dat inhoudt dat uw vergoedingen en verstrekkingen niet in de vrije ruimte kunnen worden ondergebracht als deze onderbrenging op zichzelf ongebruikelijk is en/of de omvang van de vergoeding/verstrekking ongebruikelijk is. Ongebruikelijk betekent in dit verband een afwijking van 30% of meer.
Tip: Maak gebruik van de doelmatigheidsmarge van € 2.400 per persoon per jaar. Tot dit bedrag beschouwt de Belastingdienst de vergoedingen/verstrekkingen in ieder geval als gebruikelijk. Het bedrag van € 2.400 geldt in alle redelijkheid, dus bijvoorbeeld niet voor zover het loon van de werknemer lager is dan de bedragen waar hij recht op heeft volgens de Wet op het minimumloon of als stagiair. Overigens betekent dit niet dat het bedrag van € 2.400 per definitie onbelast is. Het bedrag telt ‘gewoon’ voor de vrije ruimte en kan dus mogelijk een extra heffing van 80% opleveren voor de werkgever. 

Maak gebruik van de collectieve vrije ruimte binnen de concernregeling. Houd hierbij rekening dat de concernregeling alleen geldt voor bv’s, nv’s en stichtingen en dat een belang van minimaal 95% gedurende het gehele jaar vereist is.

Tip: Heeft u nog geen andere belaste vergoedingen of verstrekkingen gehad, dan kunt u zichzelf dit jaar als dga bijvoorbeeld ook een eindejaarsbonus geven van € 2.400. Staat uw partner ook op de loonlijst, dan geldt dit ook voor hem of haar.

Vier kerst dit jaar ‘WKR-optimaal’ met uw personeel
Geef bij dreigende overschrijding van de vrije ruimte in plaats van een kerstpakket eens een nieuwjaarsgeschenk. Of vervang de kerstborrel buiten de deur door een nieuwjaarsborrel buiten de deur. Het bedrijfsfeestje is begin 2019 misschien net zo gezellig als eind 2018. Omdat deze verstrekkingen dan in 2019 plaatsvinden, komen ze ook ten laste van de vrije ruimte in 2019.

Let op! Bedenk wel dat schuiven alleen zin heeft als u in 2019 niet met dezelfde dreigende overschrijding van de vrije ruimte te maken krijgt.

Denk ook eens na over het anders inrichten van bepaalde vergoedingen of verstrekkingen. De kerstborrel buiten de deur is met wat aankleding misschien wel net zo gezellig in uw bedrijfspand. Dit is aantrekkelijk, omdat de kerstborrel buiten de deur ten laste van de vrije ruimte komt, terwijl de borrel binnenshuis op nihil is gewaardeerd.

Let op! Gaat de borrel binnenshuis gepaard met een maaltijd, dan komt voor de maaltijd wel het forfaitaire bedrag van € 3,35 per werknemer ten laste van de vrije ruimte. Dit is echter altijd beduidend minder dan de werkelijke waarde van een maaltijd buiten de deur, die anders ten laste van uw vrije ruimte was gekomen.
 

Speel in op nieuwe fietsenregeling
Er komt vanaf 2020 een nieuwe regeling voor de fiets van de zaak. Net als bij de auto moet er belasting betaald worden over de consumentenadviesprijs van de fiets. Dit is alleen van toepassing indien de fiets ter beschikking staat voor woon-werkverkeer. Dan wordt de fiets namelijk ook geacht voor privégebruik ter beschikking te staan. De bijtelling voor de fiets gaat 7% bedragen. Hoeveel uw werknemer daardoor aan extra belasting betaalt, hangt af van de prijs van de fiets en van zijn inkomen. Hogere inkomens betalen dus meer voor het fietsgebruik.

Let op! De maatregel gaat niet gelden als de fiets verstrekt of vergoed wordt. De fiets moet dus eigendom blijven van de werkgever en de werknemer mag deze gebruiken. Dit betekent ook dat de fiets bij het einde van het dienstverband moet worden teruggegeven of dat de werknemer een reëel bedrag betaalt voor het overnemen van de fiets. De bijtelling omhelst niet eventuele accessoires die ter beschikking worden gesteld, zoals regenpakken, fietstassen etc. Daarvoor gelden de normale regels van de werkkostenregeling.

Tip: U kunt op de regeling inspelen door een fiets pas vanaf 2020 ter beschikking te stellen. Tot die tijd kan de werknemer bijvoorbeeld de eigen fiets gebruiken voor zakelijke ritten, waaronder woon-werkverkeer, en hiervoor een belastingvrije vergoeding ontvangen van € 0,19/km. Ook is het mogelijk de werknemer een renteloze lening te verstrekken voor de aankoop van een elektrische fiets.

De nieuwe fietsregeling zal gaan gelden voor alle soorten fietsen en zelfs voor bromfietsen die mede door spierkracht worden voortbewogen en beschikken over een elektromotor. Deze laatste categorie ziet met name op de speed-pedelecs.

De btw-regels voor een fiets van de zaak wijzigen niet. Normaliter kunt u de btw voor privégebruik door werknemers niet aftrekken, maar voor fietsen geldt een uitzondering. Tot een bedrag van € 749 (inclusief btw) mag u de btw aftrekken.

Houd rekening met wijziging 30%-regeling
De 30%-regeling voor buitenlandse werknemers met een specifieke deskundigheid wordt gewijzigd. Vanaf 2019 mogen werkgevers de regeling nog maar vijf jaar toepassen in plaats van de op dit moment geldende acht jaar. Volgens deze regeling mag een werkgever 30% van het salaris van de betreffende werknemer belastingvrij uitbetalen als tegemoetkoming in de extra kosten van de buitenlandse werknemer. Een hoger percentage mag ook, mits aannemelijk wordt gemaakt dat de kosten ook hoger zijn.

Er gelden wel de nodige voorwaarden om de regeling te mogen toepassen. Met name moet er sprake zijn van een specifieke deskundigheid. Dit is onder meer het geval als het jaarsalaris, exclusief de belastingvrije vergoeding, in 2018 minstens € 37.296 bedraagt. Ook moet de werknemer voordat hij bij de Nederlandse werkgever in dienst trad, op minstens 150 km afstand van Nederland hebben gewoond. Het kabinet heeft besloten wel overgangsrecht in te voeren voor de groep waarvoor de regeling als gevolg van deze maatregel in 2019 of 2020 zou eindigen.

Tip: Een soortgelijke regeling geldt voor werknemers die tijdelijk in het buitenland werken. Ook aan die werknemers mag onder voorwaarden 30% van de beloning onbelast worden uitbetaald. Deze regeling wijzigt niet.

Bereid u voor op e-Herkenning UWV
Het UWV maakt sinds november 2018 gebruik van e-Herkenning. E-Herkenning is een digitaal hulpmiddel waarmee u toegang kunt krijgen tot diverse overheidsdiensten en bedrijven. Door gebruik te maken van e-Herkenning hoeft u niet langer verschillende inlogcodes en bijbehorende wachtwoorden meer te gebruiken. Het gebruik van e-Herkenning bij het UWV is nu nog op vrijwillige basis, maar wordt vanaf 1 november 2019 verplicht. U moet het dan onder meer gaan gebruiken voor ziek- en herstelmeldingen. E-Herkenning kent vijf verschillende veiligheidsniveaus. Het UWV gaat het een na hoogste veiligheidsniveau gebruiken, niveau 3. Hoe hoger het veiligheidsniveau, hoe meer zekerheid er verkregen wordt over uw identiteit. Op dit niveau logt u in met een gebruikersnaam en wachtwoord, aangevuld met een sms- of pincode. Met een hoger veiligheidsniveau kunt u wel inloggen bij organisaties met een lager veiligheidsniveau. Andersom kan niet.

Tip: Het is daarom verstandig een veiligheidsniveau te kiezen waarmee u kunt inloggen bij de organisaties waarmee u zaken doet.

Aan het gebruik van e-Herkenning zijn kosten verbonden. Afhankelijk van de leverancier en het veiligheidsniveau betaalt u per medewerker die e-Herkenning gaat gebruiken, maximaal € 80 per jaar.

Vraag uw werknemer bij twijfel om een woonplaatsverklaring
De loonbelasting kent een aantal heffingskortingen. Deze bestaan uit een belasting- en een premiedeel. Vanaf 1 januari 2019 hebben alleen inwoners van Nederland recht op het belastingdeel van de loonheffingskorting. Niet-inwoners hebben daar geen recht meer op. Zij hebben alleen nog recht op het premiedeel, als ze in Nederland verzekerd zijn voor de volksverzekeringen.

Voor het belastingdeel van een van de heffingskortingen, de arbeidskorting, geldt een uitzondering: werknemers die inwoner zijn van een andere lidstaat van de EU, van een EER-land (IJsland, Noorwegen en Liechtenstein), Zwitserland of de BES-eilanden (Bonaire, Sint Eustatius en Saba), hebben wel recht op het belastingdeel van de arbeidskorting.

Let op! Dit betekent dat u vanaf 1 januari 2019 moet bepalen of u voor een werknemer wel of niet rekening moet houden met het belastingdeel van de heffingskortingen. Of dat u misschien alleen rekening moet houden met het belastingdeel van de arbeidskorting. Daarvoor moet u dus weten van welk land een werknemer inwoner is, zodat u de juiste loonbelastingtabel kunt gebruiken.

Wanneer inwoner?
Een werknemer die hier zijn permanente woon- of verblijfplaats heeft, is inwoner van Nederland. Hij heeft dus recht op het belastingdeel van de heffingskortingen. Bij een werknemer die zowel in Nederland als in het buitenland woont of verblijft, is het de vraag of hij inwoner is van Nederland. Hij is alleen inwoner van Nederland als zijn sociale en economische leven zich hier afspeelt. Woont het gezin van de werknemer bijvoorbeeld in het buitenland, gaan zijn kinderen daarnaar school en houdt hij daar bankrekeningen aan, dan is hij geen inwoner van Nederland. Bij een werknemer zonder gezin is zijn intentie van belang: is hij van plan zich hier te vestigen, dan is hij inwoner van Nederland. Is hij van plan om hier alleen korte tijd te blijven, dan is hij dat niet. Of iemand inwoner van Nederland is, bepaalt u op basis van de feiten en omstandigheden die u bekend zijn: bijvoorbeeld de woonplaats die de werknemer u heeft aangeleverd als een van de gegevens voor de loonheffingen, reiskostenvergoedingen die u hem betaalt en gegevens voor beoordeling van de verzekeringsplicht. In de meeste gevallen zult u op deze manier kunnen vaststellen van welk land de werknemer inwoner is.

Tip: Vraag uw werknemer bij twijfel om een woonplaatsverklaring. U weet dan zeker van welk land de werknemer inwoner is. De werknemer kan de woonplaatsverklaring aanvragen bij het belastingkantoor waaronder hij valt. Dat kan ook in het buitenland zijn.

6. Tips voor de automobilist

Koop gebruikte auto met lage bijtelling
Het percentage aan bijtelling voor een auto geldt in beginsel voor 60 maanden, volgend op de maand van de eerste toelating. Het maakt niet uit of de auto tussentijds verkocht wordt. Het kan dus lonen een auto met een lage bijtelling te kopen en de resterende periode – na de datum van eerste toelating – nog te profiteren van de lage bijtelling.

Houd rekening met verval lage bijtelling na 60 maanden
Een lagere bijtelling dan 25% geldt gedurende een termijn van maximaal 60 maanden. Heeft u een auto van de zaak met een lagere bijtelling die op kenteken is gezet in 2014, houd er dan rekening mee dat deze lagere bijtelling in 2019 verloopt. Vanaf dat moment geldt voor die auto een bijtelling van 25% (en dus geen 22%)!

Tip: Het verval van de lage bijtelling na 60 maanden geldt voor alle auto’s. Dus ook de auto die nu nog een 0%-bijtelling kent, zal na 60 maanden terugvallen naar een bijtelling van 25%! Er geldt nog wel een korting voor nulemissieauto’s. Houd vanaf 2019 wel rekening met de beperking van de korting voor nulemissieauto’s die duurder zijn dan € 50.000.
 

Koop duurdere elektrische auto vóór 2019
Als u van plan bent binnenkort een elektrische auto van meer dan € 50.000 aan te schaffen, is het raadzaam dit nog voor het einde van 2018 te doen. Vanaf 2019 geldt de 4%-bijtelling voor elektrische auto’s nog slechts tot een cataloguswaarde van € 50.000. Over het meerdere betaalt u 22%. Ook nu geldt de lage bijtelling voor een periode van 60 maanden vanaf de datum van eerste toelating. De nieuwe regeling gaat ook gelden voor elektrische auto waarvan na datum eerste toelating de termijn van 60 maanden voorbij is. Van deze auto’s zal na deze periode de bijtelling dus fors stijgen. En voor dergelijke auto’s van vóór 2017 is het uitgangspunt zelfs 25%.

Tip: Overweeg de auto dan over te brengen naar privé en zakelijke kilometers te declareren tegen € 0,19/km. Indien u ondernemer bent in de inkomstenbelasting, moet u wel een bijzondere reden hebben om de auto voortaan tot het privévermogen te rekenen.

Vraag milieu-investeringsaftrek aan voor uw milieuvriendelijke auto
Schaft u nog in 2018 een milieuvriendelijke auto aan, dan komt u mogelijk in aanmerking voor de milieu-investeringsaftrek (MIA). De MIA geldt voor een waterstofpersonenauto met een CO2-uitstoot van 0 gr/km. Voor deze auto geldt ook de VAMIL (vervroegde afschrijving tot 75%). Voor de elektrische auto’s met een CO2-uitstoot van 0 gr/km en voor de plug-inhybride met een CO2-uitstoot van maximaal 30 gr/km (niet zijnde een dieselauto) kunt u eveneens MIA verkrijgen. Er gelden verschillende aftrekpercentages en er zijn maxima gesteld aan de in aanmerking te nemen investeringsbedragen.

Soort auto MIA % Maximaal in aanmerking te nemen investeringsbedrag VAMIL
Waterstofpersonenauto

(CO2-uitstoot = 0)

36% € 50.000 Ja
Elektrische auto

(CO2-uitstoot = 0)

36% € 50.000 Nee
Plug-inhybride

(CO2-uitstoot maximaal 30)

27% € 35.000 Nee
Let op! Om in aanmerking te komen voor de MIA en VAMIL, moet u uw investering binnen drie maanden nadat u de investeringsverplichting bent aangegaan, melden bij RVO.nl. Bent u te laat, dan komt u niet meer in aanmerking voor de aftrek!

Het is nog niet bekend of de MIA en VAMIL ook in 2019 gelden voor de milieuvriendelijke auto, omdat de nieuwe milieulijsten voor de MIA 2019 pas eind 2018 bekend worden gemaakt.

Ook voor de oplaadpaal van de elektrische auto op eigen terrein en voor eigen gebruik geldt in 2018 nog de MIA. Het aftrekpercentage voor de oplaadpaal bedraagt 36%. Daarnaast mag op deze laadpaal voor 75% willekeurig afgeschreven worden (VAMIL). Laadpalen waarvan de investeringskosten minder dan € 2.500 bedragen, komen niet in aanmerking voor de MIA/VAMIL, tenzij deze samen met de elektrische auto worden aangemeld.

Minder motorrijtuigenbelasting in 2018
Voor plug-inhybrideauto’s (CO2-uitstoot van 1-50 gr/km) blijft de mrb (net als nu) de helft van het reguliere tarief en nulemissieauto’s blijven volledig vrijgesteld van mrb. Deze regeling blijft van kracht tot en met het jaar 2020.

7. Tips voor de woningeigenaar

Schenk vrijgesteld ten behoeve van eigen woning
Per 1 januari 2017 bestaat een schenkingsvrijstelling voor de eigen woning. Voor 2018 bedraagt deze vrijstelling € 100.800. Deze vrijstelling kan onder voorwaarden gespreid over drie opeenvolgende jaren benut worden. De geschonken bedragen moeten uiterlijk in het tweede kalenderjaar na het kalenderjaar waarin de eerste schenking is gedaan, worden gebruikt voor de eigen woning.

De vrijstelling is niet beperkt tot schenkingen tussen ouders en kind. Hierdoor kan er ook buiten de gezinssituatie gebruik worden gemaakt van de vrijstelling. Wel blijft de beperking van kracht dat de begunstigde tussen 18 en 40 jaar moet zijn (als de schenking gespreid plaatsvindt, moet op alle momenten aan deze voorwaarde worden voldaan). Degene die de schenking ontvangt, moet deze gebruiken voor de eigen woning. Het gaat om de verwerving of verbouwing van een eigen woning, de afkoop van rechten van erfpacht, opstal of beklemming met betrekking tot die woning en de aflossing van de eigenwoningschuld of de restschuld na verkoop van de eigen woning.

Let op! De verhoogde schenkingsvrijstelling voor de eigen woning is eenmalig. De verkrijger kan hier maar eenmaal per schenker gebruik van maken. Heeft u als schenker ten aanzien van dezelfde verkrijger in 2010 tot en met 2014 al gebruikgemaakt van de toenmalige verhoogde schenkingsvrijstelling, dan is dit vanaf 2017 niet meer mogelijk. Heeft u in 2015 of 2016 eenmalig een bedrag voor de eigen woning onder de verhoogde schenkingsvrijstelling geschonken (maximaal € 52.752 respectievelijk € 53.016) aan uw zoon of dochter, dan mag u dit bedrag in 2018 nog aanvullen tot € 100.800.

Spreid de schenking over drie jaren en voorkom boeterente
Vanaf 2017 is het ook mogelijk om de hoge schenkingsvrijstelling van € 100.000 respectievelijk
€ 100.800 te gebruiken voor een schenking die u spreidt over drie achtereenvolgende jaren. Als de ontvanger van de schenking deze gebruikt voor aflossing van de schuld inzake de eigen woning, kan hierdoor de boeterente misschien (deels) worden voorkomen. Wel moet de ontvanger op alle momenten voldoen aan de leeftijdsgrens. Als iemand bijna 40 is, zijn gespreide schenkingen dus niet mogelijk.

Los uw geringe hypotheekschuld af
Als u geen hypotheekrente in aftrek brengt, hoeft u ook geen eigenwoningforfait bij te tellen. Om die reden kan het verstandig zijn om een lage hypotheekschuld af te lossen. Bijkomend voordeel is dat hiermee ook uw box 3-vermogen lager wordt en u dus ook minder belasting in box 3 betaalt. Uiteraard moet u dan wel zorgen dat u uiterlijk 31 december 2018 aflost.

Let op! Deze regeling wordt vanaf 2019 over een periode van dertig jaar geleidelijk afgeschaft. Uw voordeel zal dus per jaar kleiner worden en uiteindelijk verdwijnen.

Let op! Bedenk vooraf of u mogelijk op een later moment geen ander bestedingsdoel heeft voor het voor de aflossing gebruikte box 3-vermogen. Indien u later opnieuw een hypotheek voor uw woning afsluit, is de rente namelijk niet meer aftrekbaar.
 

Onderzoek rentemiddeling
Rentemiddeling biedt een mogelijkheid om tegen een lagere hypotheekrente te lenen, zonder dat ineens de boeterente vanwege vervroegd aflossen betaald hoeft te worden. Bij rentemiddeling is de boeterente namelijk niet ineens verschuldigd, maar wordt uitgesmeerd over de nieuwe rentevastperiode. Hiermee wordt een lagere hypotheekrente ineens bereikbaar voor een veel grotere groep. Onderzoek daarom of in uw situatie rentemiddeling een mogelijkheid is.

De boeterente bij rentemiddeling is eveneens aftrekbaar. Naast de boeterente kan het rentepercentage ook verhoogd worden met andere opslagen die geen verband houden met de boeterente. Bijvoorbeeld een opslag voor het risico van vroegtijdig aflossen van de hypotheekschuld. Deze andere opslagen, boven op de hypotheekrente en de boeterente, mogen in totaal niet hoger zijn dan 0,2%. In dat geval is er ook sprake van renteaftrek voor de andere opslagen.

Let op! Als het percentage van de andere opslagen hoger is dan 0,2%, kan over de gehele andere opslag geen rente worden afgetrokken. U moet dan de betaalde rente herrekenen naar de rente die u mag aftrekken als betaalde hypotheekrente.

Dubbele woonlasten? Maak gebruik van de verhuisregelingen
Staat uw voormalige, leegstaande woning te koop of bent u nog niet verhuisd maar heeft u al wel een nieuwe woning aangeschaft, dan heeft u gedurende het jaar waarin de woning leeg kwam te staan en de drie jaren daarna renteaftrek voor beide woningen.

Staat uw voormalige eigen woning na de verhuur weer leeg, dan heeft u wederom recht op hypotheekrenteaftrek tot het einde van dezelfde driejaarstermijn van de verhuisregeling.

Let op! Eindigt de verhuurperiode van uw woning na deze driejaarstermijn, dan gaat uw woning bij aanvang van de verhuurperiode definitief over naar box 3.

Betaal hypotheekrente vooruit
Valt uw inkomen in 2019 in een lager tarief dan in 2018 en/of wilt u uw box 3-vermogen verlagen, dan is het wellicht financieel aantrekkelijk om in 2018 uw hypotheekrente vooruit te betalen. Uw hypotheekrente wordt in 2018 dan nog afgetrokken tegen het hogere tarief en uw box 3-vermogen zal per 1 januari 2019 lager zijn. Trekt u de hypotheekrente in 2018 af tegen het tarief van de hoogste schijf, dan behaalt u in ieder geval een voordeel van 0,5%-punt. Het maximum waartegen u de hypotheekrente mag aftrekken, wordt in 2019 namelijk verder verlaagd van 49,5 naar 49%. De aftrek van hypotheekrente en andere aftrekposten zal vanaf 2020 versneld worden afgebouwd naar 37,05% in 2023.

Let op! U mag maximaal de in 2018 vooruitbetaalde hypotheekrente van het eerste halfjaar van 2019 in 2018 in aftrek brengen.

Let op! Het tarief van de 2e en 3e schijf daalt in 2019 van 40,85% naar 38,1%, een verschil van 2,75%-punt!

Plan verkoop eigen woning slim rondom de jaarwisseling
Verkoopt u uw eigen woning, dan kan het financieel nadelig zijn wanneer de overdracht bij de notaris voor 1 januari 2019 plaatsvindt. Als u de ontvangen koopsom namelijk niet direct gebruikt voor de aankoop van een nieuwe eigen woning, valt deze per 1 januari 2019 in box 3. U kunt de belastingheffing in box 3 eenvoudig voorkomen door de overdracht te verplaatsen naar bijvoorbeeld 2 januari 2019.

Tip: Plan de overdracht van uw eigen woning bij de notaris slim en bespaar box 3-heffing. Draagt u uw eigen woning bij de notaris over voor 1 januari 2019 en wendt u de ontvangen koopsom nog voor 1 januari 2019 aan voor de koop van een nieuwe eigen woning bij de notaris? Dan valt de ontvangen koopsom niet in box 3.

Let op! Het schuiven met de datum is niet altijd eenvoudig, omdat uw koper mogelijk een tegenovergesteld belang heeft.

Plan koop eigen woning slim rondom de jaarwisseling
Koopt u een eigen woning en betaalt u deze aankoop (gedeeltelijk) met eigen geld? Dan kan het financieel nadelig zijn wanneer de overdracht bij de notaris na 1 januari 2019 plaatsvindt. Het eigen geld behoort dan namelijk per 1 januari 2019 nog tot uw vermogen in box 3. U kunt de belastingheffing in box 3 eenvoudig voorkomen door de overdracht te verplaatsen naar bijvoorbeeld 29 december 2018.

Let op! Het schuiven met de datum is niet altijd eenvoudig, omdat uw koper mogelijk een tegenovergesteld belang heeft.

Plan onderhoud aan uw monumentenpand fiscaal optimaal
Particuliere eigenaren kunnen de kosten van onderhoud aan hun rijksmonumentenpand in 2018 nog voor 80% fiscaal in aftrek brengen. Vanaf 2019 is dit niet meer mogelijk en kunt u gebruikmaken van een subsidieregeling. In de nieuwe regeling krijgt u een subsidie van maximaal 38% van de kosten.

De nieuwe subsidieregeling kent een budget van € 87 miljoen per jaar. Als de aanvragen het budget overschrijden, wordt het percentage van 38% naar beneden aangepast, zodat alle aanvrager in aanmerking komen voor de subsidie. Het voordeel neemt daardoor dus af. U kunt dat moeilijk van tevoren inschatten.

De subsidie moet u tijdig aanvragen en dat gaat niet via de aangifte inkomstenbelasting. U moet dat digitaal doen in maart of april van het volgende jaar.

Let op! Er schuilt wel een addertje onder het gras. Er komt namelijk een toets op de kwaliteit, alvorens de nieuwe subsidie wordt toegekend. Doel van de nieuwe regeling is namelijk een betere besteding van de middelen. Bovendien zijn onderhoudskosten aan bepaalde niet-monumentale onderdelen nu wel aftrekbaar, maar delen die straks niet mee in de subsidies. De subsidie is alleen van toepassing op woningen die als eigen woning functioneren of als woning worden verhuurd. Bij verbouwingen boven € 70.000 moet tevens een inspectierapport beschikbaar zijn (maximaal vier jaar oud), ook al komt maar een deel van de verbouwingskosten voor subsidie in aanmerking.

Verhuur tweede woning aan uw kind(eren)
Heeft u al dan niet studerende kinderen die nauwelijks een betaalbare huur- of koopwoning kunnen vinden en beschikt u over voldoende privévermogen in box 3? Overweeg dan een woning te kopen en aan hen te verhuren. Dit heeft verschillende fiscale voordelen.

De eventuele waardestijging van de woning is onbelast, de ontvangen huur eveneens. Uw kinderen hebben waarschijnlijk recht op huurtoeslag, dus u kunt hier met de huur rekening mee houden en iets meer huur vragen. Die moet wel zakelijk zijn, maar is de huur ondanks de huurtoeslag toch nog te hoog voor uw kinderen, dan kunt u een deel van de huur terugschenken. Een schenking tot € 5.363 per kind is in 2018 onbelast.

Let op! Koppel de schenking wel los van de huurbetalingen en ga dit bijvoorbeeld niet met elkaar verrekenen!

Een extra voordeel voor u is dat de waarde van de woning in box 3 slechts gesteld wordt op een deel van de WOZ-waarde, vanwege de verhuurde staat van de woning. Zo beschikken uw kinderen over niet te dure woonruimte, terwijl u nog een mooi rendement maakt!

Tip: Verhuurt u bijvoorbeeld een woning met een WOZ-waarde van € 300.000 voor € 500 per maand aan uw kind, dan telt de woning slechts voor € 153.000 mee in box 3.

Disclaimer
Bij de samenstelling van de Eindejaarstips 2018 is naar uiterste betrouwbaarheid en zorgvuldigheid gestreefd. Onze organisatie kan niet aansprakelijk worden gesteld voor eventuele onjuistheden en de gevolgen hiervan. Verschijningsdatum van deze update: 22 november 2018.

Recente Berichten

Laat een reactie achter

Contact

Heb je een vraag of wil je meer info? Vul hieronder je emailadres in en we nemen zo snel mogelijk contact met je op.

Niet leesbaar ? Vernieuw code captcha txt
fsv-eindejaarsseminar 2018 | FSV Accountants + Adviseurs