Werkgeversaansprakelijkheid na een dodelijke hondenbeet

 In Arbeidsrecht

Op grond van art. 7:658 Burgerlijk Wetboek (BW) is een werkgever, kort samengevat, aansprakelijk voor de schade die een werknemer lijdt doordat hij tijdens de werkzaamheden een arbeidsongeval krijgt of een beroepsziekte oploopt en de werkgever niet redelijke maatregelen heeft genomen om dat ongeval of die ziekte te voorkomen.

Daarnaast kent het BW nog een algemeen artikel. Dat is artikel 7: 611 BW. Daarin staat dat een werkgever en een werknemer verplicht zijn zich als een goed werkgever, respectievelijk als een goed werknemer te gedragen. Dat is een zogenaamd kapstokartikel, geschreven voor situaties die elders niet (goed) in de wet zijn vastgelegd. Onder “goed werkgeverschap” wordt verstaan dat een werkgever zich ten opzichte van de werknemer goed dient te gedragen en daarbij niet alleen uit eigen belang handelt, maar ook de belangen van de werknemer in acht neemt.

Conform het bepaalde in artikel 7:658 lid 1 BW rust derhalve op de werkgever een zorgplicht voor de veiligheid van zijn werknemers. Deze zorgplicht wordt in de rechtspraak streng uitgelegd. Zeker als daarbij ook het algemene artikel van artikel 7: 611 BW wordt betrokken.

Op 4 december 2017 heeft de Rechtbank Amsterdam (ECLI:NL:RBAMS:2017:9024) een uitspraak gedaan die dit onderschrijft.

Waar ging het in deze procedure over?
De werknemer is per 1 januari 2013 in dienst getreden bij HE op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd tot 30 juni 2013 in de functie van Directeur Business Intelligence. HE zet zich in voor onbelemmerde toegang tot essentiële medicijnen en gezondheidsproducten in ontwikkelingslanden.
De werknemer reisde voor zijn werk naar het buitenland. Zo is hij 28 april 2013 in opdracht van HE naar Haïti gereisd, alwaar hij tot 3 mei 2013 werkzaamheden voor HE heeft verricht.

Voor Haïti zijn geen inentingen verplicht gesteld, maar worden vaccinaties aangeraden tegen D.T.P. en Hepatitis A. Verder is Haïti een risicovol land als het gaat om rabiësbesmettingen (hondsdolheid). Inentingen hiertegen worden aangeraden bij een verblijfsduur langer dan drie maanden of vanwege specifieke persoonlijke omstandigheden.

Tijdens zijn verblijf werkte en verbleef de werknemer op de compound van een familie. De familie heeft een waakhond op de compound. Deze was ingeënt tegen rabiës. Sinds 21 april 2013 hadden zij een nieuwe jonge waakhond die vanwege zijn jonge leeftijd (pup) nog niet was ingeënt tegen rabiës.

In de nacht van 29 op 30 april 2013 is de pup door een ander dier aangevallen en is een stuk van zijn staart afgebeten. Op advies van de dierenarts is de pup vervolgens met een lijn aan een boom achter op de compound vastgezet. De pup lag daar vooral stil in een hoekje en vertoonde teruggetrokken gedrag.
De werknemer heeft op 4 mei 2013 geen werkzaamheden meer verricht, maar heeft in afwachting van zijn terugvlucht met de familie ontbeten en vervolgens al fotograferend een wandeling over de compound gemaakt. Tijdens deze wandeling heeft de werknemer de pup geaaid en is daarbij in zijn hand (tot bloedens toe) gebeten.
De werknemer heeft de wond schoongemaakt met water en alcohol en vervolgens een foto van zijn hand gemaakt met de gebruikte schoonmaakmiddelen. Dat hij was gebeten door de pup, heeft de werknemer op 4 mei 2013 tegen zijn zoon verteld. Hij en zijn vader hebben de werknemer aangeraden om een arts te raadplegen.

Enige weken later, op 19 juni 2013, ontwikkelde de werknemer verschijnselen van rabiës. Daarvoor is de werknemer twee dagen later, op 21 juni 2013, in het ziekenhuis opgenomen.

Pas op 24 juni 2013 is aan HE medegedeeld dat de werknemer in Haïti was gebeten door een hond en dat hij is gediagnosticeerd met rabiës.

De werknemer is op 15 juli 2013 aan de gevolgen van rabiës overleden.

Zijn vrouw stelt de werkgever aansprakelijk voor de overlijdensschade.

De rechtbank stelt allereerst vast dat het ongeval niet tijdens de uitoefening van de werkzaamheden van de werknemer is gebeurd als bedoeld in artikel 7:658 BW. Toen hij gebeten werd, maakte de werknemer immers al fotograferend een wandeling over de compound in afwachting van terugvlucht.

Er is echter ook nog het ruimere kapstokartikel van 7: 611 BW (goed werkgeverschap).

Volgens de rechtbank had de werkgever aan werknemer opgedragen om zijn werkzaamheden op de compound te verrichten en daar ook te verblijven. Daardoor heeft het verblijf op de compound een zodanige nauwe samenhang met deze werkzaamheden, dat op werkgever de uit artikel 7:611 BW voortvloeiende verplichting rustte om zich jegens werknemer als goed werkgever te gedragen, waaronder het zorgdragen voor een veilige omgeving. Deze verplichting is de werkgever niet voldoende nagekomen. Vaststaat immers dat een niet tegen rabiës ingeënte pup op de compound rondliep.

HE is onder deze omstandigheden dan ook aansprakelijk voor de uit de beet van de hond voortgekomen schade op grond van artikel 7: 611 BW.

De werknemer is na zijn beet echter niet zo snel mogelijk naar een arts is gegaan en daarom kan niet worden uitgesloten dat hij, als hij zich eerder had laten behandelen door een arts, niet was overleden ten gevolge van de hondenbeet. In die situatie is er sprake van eigen schuld in de zin van artikel 6:101 BW.
Volgens de rechtbank hebben de partijen zich echter daarover niet (voldoende) uitgelaten. Zij zullen daarom in het verdere verloop van de procedure in de gelegenheid worden gesteld om dat alsnog te doen. De rechtbank houdt daarom alle overige beslissingen aan.

De uitspraak past in de lijn van eerdere jurisprudentie van de Hoge Raad. Zoals het arrest van 18 maart 2005 (ECLI:NL:2005:AR6669 inzake KLM/De Kuijer) waarbij een piloot tijdens zijn wachttijd tussen twee vluchten in Ivoorkust ernstig gewond raakte bij een ongeval tijdens een taxirit op weg naar een restaurant. En het arrest van de Hoge Raad van 17 april 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH1996 inzake Rollerskate) waarbij als onderdeel van een personeelsfeest een workshop dansen op rollerskates was georganiseerd. Voor deze workshop werd gebruikgemaakt van diensten van twee professionele rollerskaters. De rollerskateles vond plaats in de kantoorhal van werkgever. Nog voordat de lessen waren begonnen is een werknemer al na enkele meters op de rollerskates ten val gekomen, waarbij zij haar linkerpols brak.

In beide arresten was de werkgever ook op grond van artikel 7: 611 BW aansprakelijk.
Kortom, aan de zorgplicht van een werkgever worden – zo blijkt uit de jurisprudentie – strenge voorwaarden gesteld.

Meer weten? Neem contact op met onze arbeidsrechtspecialisten:

Recent Posts

Leave a Comment

Contact

Heb je een vraag of wil je meer info? Vul hieronder je emailadres in en we nemen zo snel mogelijk contact met je op.

Not readable? Change text. captcha txt
Het verboden concurrentie- en relatiebeding voor de uitgezonden en gedetacheerde arbeidskracht. Ruimer dan gedacht. | FSV Accountants + AdviseursOntslag verwijtbaar handelen | FSV Accountants + Adviseurs