Special Miljoenennota 2022

Special Miljoenennota 2022

Inleiding

Het demissionaire kabinet presenteerde op Prinsjesdag 2021 de Miljoenennota 2022 en dus ook het Belastingplan 2022.

In de kabinetsplannen voor het komende jaar valt op dat er geen ingrijpende wijzigingen worden voorgesteld en dat het Klimaatakkoord grote invloed heeft op de besluiten van het kabinet.

Deze special bevat voorstellen van het kabinet die de komende periode in het parlement worden behandeld. De voorgestelde maatregelen treden per 1 januari 2022 in werking, tenzij anders is vermeld.

Inhoudsopgave

1. Tarieven

De tarieven, de heffingskortingen en het forfaitair rendement blijven in 2022 vrijwel gelijk. Wel worden de schijven van de vennootschapsbelasting, zoals eerder besloten, verlengd. Bekijk hier alle tariefswijzigingen.

Tarieven Box 1 – Inkomen uit werk en woning
Het tarief in de 1e schijf wordt iets verlaagd: van 37,10% naar 37,07%. Ook wordt de tariefschijf verlengd naar € 69.398 (€ 68.507 in 2021). De tweede tariefschijf blijft gelijk.

Tarief inkomstenbelasting/premies volksverzekeringen 2022
 Belastbaar inkomen meer dan (€) maar niet meer dan (€) Tarief 2022 (%) 
1e schijf69.39837,07
2e schijf69.39849,50

Overzicht gewijzigde heffingskortingen
Iedereen heeft recht op de algemene heffingskorting: een korting op de inkomstenbelasting. Deze korting is inkomensafhankelijk. Hoe lager het inkomen, hoe hoger de korting. In 2022 wordt de algemene heffingskorting iets verhoogd. Het afbouwpercentage van de arbeidskorting wordt verlaagd van 6% naar 5,86%.

Heffingskortingen2021 (€)2022(€)
Algemene heffingskorting maximaal (< AOW-leeftijd)2.8372.874
Arbeidskorting (maximaal)4.2054.260
Jonggehandicapten korting761771
Maximum inkomensafhankelijke combinatiekorting2.8152.534
Ouderenkorting (maximaal)1.7031.726
Alleenstaandeouderenkorting443449
Afbouwpercentage van de arbeidskorting6%5,86%

Geleidelijke verlaging zelfstandigenaftrek
De zelfstandigenaftrek is een bedrag dat ondernemers in de inkomstenbelasting mogen aftrekken van hun winst, mits ze 1.225 uur hebben gewerkt als ondernemer. Met de zelfstandigenaftrek verlaagt u het bedrag waarover u inkomstenbelasting bent verschuldigd. De zelfstandigenaftrek wordt opnieuw verder afgebouwd. De maximale zelfstandigenaftrek bedraagt in 2022 € 6.310 (€ 6.670 in 2021). Uiteindelijk wordt de zelfstandigenaftrek verlaagd naar € 3.240 in 2036.

Tarieven Box 2 – Aanmerkelijk belang
Het tarief in Box 2 is in 2022 hetzelfde als in 2021: 26,9%. Het tarief van 26,9% geldt voor voordelen uit aanmerkelijk belang, zoals het uitkeren van dividend aan de aandeelhouder (dga) in privé en de winst bij verkoop van aandelen.

Let op! Overweegt u om in 2021 nog een dividenduitkering te doen? Let dan wel goed op als u gebruik heeft gemaakt van steunmaatregelen in verband met corona. Bij bepaalde maatregelen mag u geen dividend uitkeren als u van de maatregel gebruikmaakt.

Tarieven Box 3 – Sparen en beleggen
Het tarief van Box 3 blijft in 2022 gelijk aan het huidige tarief van 31%. Het heffingsvrij vermogen wordt iets verhoogd, naar € 50.650. De schijven blijven gelijk. Deze zijn in 2022:

  • Van € 50.000 tot € 100.000 (schijf 1)
  • Van € 100.000 tot € 1.000.000 (schijf 2)
  • Vanaf € 1.000.000 (schijf 3)

Let op! Het heffingsvrij vermogen van Box 3 is niet van invloed op het wel of niet krijgen van toeslagen, zoals zorgtoeslag, huurtoeslag of het kindgebonden budget. Daar gelden lagere vermogensgrenzen voor.

Aanpassing tarieven vennootschapsbelasting
De tarieven in de vennootschapsbelasting blijven gelijk. De vorig jaar aangekondigde verlenging van de tariefschijf is opgenomen in het Belastingplan. Het tarief van 25% gaat in 2022 gelden bij winsten hoger dan € 395.000.

Vennootschapsbelasting  2021   2022
Winst tot € 245.000 in 2021/
€ 395.000 in 2022
15,0%15,0%
Winst vanaf € 245.000 in 2021/
€ 395.000 in 2022
25,0%25,0%

Tip! Als de verwachte winst van een fiscale eenheid voor 2022 ruim hoger is dan € 395.000, dan kunt u met het verbreken van de fiscale eenheid een tariefvoordeel behalen. Dit komt doordat u dan meerdere keren gebruik kunt maken van het opstaptarief. Hoewel het tariefvoordeel eenvoudig te berekenen lijkt, kan het verbreken van de fiscale eenheid mogelijk voor u onvoorziene nadelen met zich meebrengen die niet tegen het tariefvoordeel opwegen. Bekijk dus tijdig of dit voor u aantrekkelijk is.

Het gecombineerde tarief vennootschapsbelasting-inkomstenbelasting is als volgt:

Gecombineerd tarief VPB/IB  2021   2022
Winst tot € 245.00037,87%37,87%
Winst vanaf € 245.000 tot € 395.00045,18%37,87%
Winst vanaf € 395.00045,18%45,18%

2. Werkgever

Van de langverwachte introductie van de thuiswerkvergoeding en de STAP-regeling tot de verlaging van de vrije ruimte van de werkkostenregeling: voor werkgevers brengt het Belastingplan 2022 diverse wijzigingen en gevolgen met zich mee. Lees hier waar u als werkgever op moet letten.

De tijdelijke verhoging van de vrije ruimte werkkostenregeling wordt ingetrokken
Vanwege de coronacrisis werd in 2020 en 2021 de vrije ruimte van de werkkostenregeling verhoogd naar 3% over de eerste € 400.000 van de fiscale loonsom. Voor 2022 is het normale tarief van 1,7% weer van toepassing over de eerste € 400.000.

Verlaging gebruikelijk loon innovatieve start-ups verlengd met een jaar
In 2022 is het nog steeds mogelijk om een verlaging van het gebruikelijk loon toe te passen voor dga’s van innovatieve start-ups. Dit zorgt ervoor dat de liquiditeitspositie wordt verbeterd.

Deze regeling zou oorspronkelijk per 1 januari 2022 vervallen, maar deze einddatum wordt met één jaar verschoven, omdat de evaluatie van de maatregel nog niet is afgerond. Het is ook zomaar mogelijk dat dit een permanente regeling gaat worden als de regeling positief wordt geëvalueerd.

Introductie onbelaste thuiswerkvergoeding van € 2
Door de coronacrisis is thuiswerken veel gangbaarder geworden. Werkgevers willen graag een vergoeding geven aan werknemers voor de extra kosten die worden gemaakt door thuis te werken. Het Nibud had eerder al berekend dat de extra kosten van het thuiswerken € 2 per dag bedragen. De kosten die het Nibud heeft meegenomen, zijn voor extra water- en elektriciteitsverbruik, verwarming, koffie, thee en toiletpapier. Het kabinet neemt dit bedrag over en stelt € 2 per thuisgewerkte dag of dagdeel gericht vrij.

U kunt als werkgever voor een werkdag óf een reiskostenvergoeding geven óf een thuiswerkkostenvergoeding, maar niet beide. U heeft in deze situatie de keuze welke vergoeding u wilt toepassen. Wanneer de werknemer tijdens een thuiswerkdag naar een zakelijke afspraak gaat die niet op de werkplek is, kan voor deze reis wel een reiskostenvergoeding worden gegeven zonder dat dit gevolgen heeft voor de thuiswerkkostenvergoeding.

Let op! Heeft uw werknemer een auto van de zaak, een ov-kaart of een fiets van de zaak? Dan kan de thuiswerkkostenvergoeding alleen worden toegepast als op die dag geen gebruik wordt gemaakt van de auto, het ov of de fiets om naar de vaste werkplek te reizen.

Het kabinet verwacht dat u als werkgever afspraken maakt met uw werknemer over het aantal dagen dat wordt thuisgewerkt. Op grond hiervan kunt u een vaste reiskostenvergoeding voor woon-werkverkeer en een vaste thuiswerkkostenvergoeding geven. Dit betekent dat u geen administratie hoeft bij te houden van de reisdagen en de thuiswerkdagen. Een incidentele wijziging in het patroon leidt dan niet tot aanpassing in de vaste vergoedingen. Uiteraard moet u wel een aanpassing maken in de vaste vergoedingen bij meer structurele wijzigingen.

Bij gebruik van deze regeling moet (vormvrij) schriftelijk worden vastgelegd voor welke dagen of hoeveel dagen de desbetreffende vergoeding wordt gegeven.

Toegestane praktische uitvoering
Voor de reiskostenvergoeding kunt u op dit moment een vaste reiskostenvergoeding per maand geven wanneer uw werknemer minstens 128 dagen per kalenderjaar naar een vaste werkplek reist. De vergoeding wordt gebaseerd op 214 werkdagen per jaar. Voor de thuiswerkkostenvergoeding wordt uitgegaan van eenzelfde methodiek. Voor beide vergoedingen (reiskosten en thuiswerken) geldt dat u als werkgever samen met uw werknemer met schriftelijke afspraken aannemelijk kunt maken dat bijvoorbeeld één dag wordt thuisgewerkt en vier dagen op de werkplek. Wanneer niet alle dagen wordt gewerkt, moet de maximale vergoeding naar rato berekend worden.
Voorbeeld
Uw werknemer werkt 5 dagen, waarvan 3 dagen op een vaste werkplek en 2 dagen thuis. De reisafstand woon-werkverkeer bedraagt 40 kilometer per dag heen en weer.

Reiskostenvergoeding:
3 dagen/5 dagen x 214 dagen = 129 dagen x 40 kilometer x € 0,19 = € 980,40 per jaar en € 81,70 per maand.

Thuiswerkkostenvergoeding:
2 dagen/5 dagen x 214 dagen = 86 dagen x € 2 = € 172 per jaar en € 14,33 per maand.

Op grond van de voorgestelde regeling mag een totale vaste vergoeding van € 95,40 per maand worden gegeven.

In de huidige regeling bedraagt de onbelaste reiskostenvergoeding € 1.626,40 per jaar en € 135,53 per maand (214 dagen x 40 kilometer x € 0,19). In het voorbeeld wordt minimaal 128 dagen naar de werkplek gereisd, waardoor op grond van de huidige regeling mag worden uitgegaan van 214 dagen. Dit houdt in dat de onbelaste vaste vergoeding op grond van de nieuwe regeling lager uitvalt. Vanaf een reisafstand van zes kilometer of meer zal de nieuwe gecombineerde vaste vergoeding lager uitvallen.

Let op! Krijgt uw werknemer momenteel een reiskostenvergoeding, maar werkt hij of zij ook thuis? Dan zult u actie moeten ondernemen voor 1 januari 2022!

Voordeliger moment belastingheffing voor aandelenopties voor werknemers
Het wordt aantrekkelijker om werknemers in aandelenopties uit te betalen. Hierdoor kunnen bijvoorbeeld start-ups en scale-ups gemakkelijker talent aantrekken. Ook stimuleert het de ontwikkeling van nieuwe bedrijven in Nederland.

Momenteel betaalt de werknemer belasting over aandelenopties zodra het verkregen optierecht wordt omgezet in aandelen. Vaak heeft de werknemer op dat moment niet voldoende financiële middelen om de belastingheffing te voldoen, omdat er nog geen mogelijkheid bestaat om de aandelen te verkopen. Daarnaast heeft het bedrijf misschien de financiële middelen niet om de aandelenoptie in geld uit te keren. Daarom wordt het nu mogelijk het heffingsmoment uit te stellen naar het moment dat de aandelen verhandelbaar worden. Zo kan de belasting worden betaald uit (een deel van) de opbrengst van de verkochte aandelen.

De werknemer moet uiterlijk op het moment van uitoefening van het optierecht schriftelijk aan de werkgever de keuze van het moment van belastingheffing doorgeven:

  • op het moment waarop de aandelen verhandelbaar zijn en er daardoor wel geld beschikbaar is, of:
  • op het moment dat de opties worden omgezet in aandelen (huidige regeling).

In het geval dat de werknemer contractueel de verkregen aandelen nog niet mag verkopen, wordt het heffingsmoment tot maximaal 5 jaar na beursgang uitgesteld. Als de onderneming bij uitoefening van het aandelenoptierecht al beursgenoteerd was, wordt de belastingheffing tot maximaal 5 jaar uitgesteld na uitoefening van het aandelenoptierecht. Na afloop van deze termijn worden de aandelen geacht verhandelbaar te zijn en worden de aandelenoptierechten belast tegen de waarde in het economisch verkeer op dat moment. Ook dividenden die tot dit moment worden uitgekeerd, worden als belast loon in de heffing betrokken.

Voor niet-beursgenoteerde bedrijven is een mogelijkheid opgenomen dat nadere regelgeving wordt ingevoerd. Voor aandelenoptierechten die voor 1 januari 2022 in de belastingheffing zijn betrokken, gelden deze wijzigingen niet.

Afschaffing van de scholingsaftrek en invoering van STAP-budget
Per 1 januari 2022 treedt de subsidieregeling Stimulans Arbeidsmarkt Positie (STAP-budget) in werking. Dan wordt ook de huidige fiscale aftrek van scholingsuitgaven afgeschaft. Deze aftrek was vooral gunstig voor belastingplichtigen met een hoog inkomen. Belastingplichtigen met een lager inkomen profiteerden hier minder van. Kosten voor scholing komen met ingang van 1 januari 2022 niet meer in aftrek in de aangifte inkomstenbelasting 2022. In plaats daarvan kan gebruik worden gemaakt van de nieuwe subsidieregeling. Werkenden en niet-werkenden kunnen maximaal € 1.000 (inclusief btw) budget aanvragen voor een scholingsactiviteit. Het budget kan een aanvulling zijn op andere tegemoetkomingen van bijvoorbeeld de werkgever, de gemeente of het UWV.

Wijziging inkomensafhankelijke combinatiekorting (IACK) voor buitenlands belastingplichtigen
Buitenlands belastingplichtigen met een partner komen in aanmerking voor de inkomensafhankelijke combinatiekorting (IACK), terwijl dat niet altijd de bedoeling is. Het gaat bijvoorbeeld om mensen die in Nederland werken, maar in het buitenland wonen met een niet-werkende echtgenoot en een kind onder de 12 jaar. Het kabinet wil de IACK-toekenning bij buitenlandse belastingplichtigen per 1 januari 2022 wijzigen door de uitzondering op het begrip fiscaal partner niet te laten gelden voor de IACK.

3. Verduurzaming

Het kabinet wil verduurzaming stimuleren en stelt verschillende veranderingen in de klimaat- en milieuwetgeving voor om te voldoen aan de afspraken in het Klimaatakkoord. Dat heeft gevolgen voor bijvoorbeeld de bijtelling van de elektrische auto en de bpm.

Wederom hogere bijtelling voor elektrische auto
Al jaren wordt de bijtelling voor het privégebruik van elektrische auto’s stapsgewijs verhoogd. Met ingang van 1 januari 2022 bedraagt de bijtelling voor het privégebruik van elektrische auto’s 16%. In 2021 was dit nog 12%.

De maximale cataloguswaarde waarover deze lage bijtelling wordt verleend (de Tesla-taks), wordt vanaf 2022 verlaagd. Is de cataloguswaarde van de auto hoger dan € 35.000? Dan geldt voor het bedrag daarboven het normale bijtellingspercentage van 22%.

Voorbeeld
Als de eerste tenaamstelling van een Tesla Model X met een cataloguswaarde van € 110.000 in 2021 plaatsvindt, bedraagt de maandelijkse bruto bijtelling € 1.683. Wanneer dezelfde auto pas in 2022 te naam wordt gesteld, is de maandelijkse bruto bijtelling € 1.842.

De komende jaren wordt de bijtelling verder verhoogd naar 17% in 2025 en 22% in 2026. Ook daalt de maximale cataloguswaarde waarvoor de lagere bijtelling geldt: naar € 30.000 vanaf 2023.

Het bijtellingspercentage staat voor een periode van vijf jaar vast, gerekend vanaf de eerste dag van de maand, volgend op de datum van eerste toelating.

Tip! Heeft u het voornemen om een elektrische auto aan te schaffen? Zorg er dan voor dat de eerste tenaamstelling van de auto nog in 2021 plaatsvindt. Daarmee stelt u de lagere bijtelling voor het privégebruik van de auto voor vijf jaar veilig.

Verhoging bpm
De te betalen bpm wordt aan de hand van de CO2-uitstoot van een personenauto vastgesteld. Voor auto’s die meer CO2 uitstoten, moet meer bpm worden betaald. Aangezien auto’s steeds zuiniger worden, loopt de belastingopbrengst van de bpm terug. Om de belastingopbrengst van de bpm te verhogen, gaan de tarieven omhoog.

Ook de komende jaren wordt de bpm verhoogd. Die verhoging wordt gekoppeld aan de verwachte ‘vergroening’ van nieuwe automotoren en bedraagt 2,3%.

Meer milieu-investeringsaftrek (MIA)
Voor milieuvriendelijke bedrijfsmiddelen kunt u gebruikmaken van de milieu-investeringsaftrek (MIA). Deze bedrijfsmiddelen worden jaarlijks in de Milieulijst gepubliceerd.

Tip! Milieu-investeringsaftrek kan doorgaans samen met kleinschaligheidsinvesteringsaftrek worden gebruikt. Op deze manier kunt u twee soorten investeringsaftrek benutten voor één investering.

De milieu-investeringsaftrek kent op dit moment drie percentages: 13,5%, 27% en 36%. Deze percentages worden per 1 januari 2022 verhoogd naar respectievelijk 27%, 36% en 45%. Met deze verhoging wil het kabinet bedrijven stimuleren om te (blijven) investeren in milieuvriendelijke bedrijfsmiddelen.

Let op! Het toe te passen percentage aan milieu-investeringsaftrek verschilt per soort investering. Ook geldt voor sommige investeringen een maximum aan MIA. Wilt u gebruikmaken van de milieu-investeringsaftrek? Neem dan contact op met een van onze adviseurs. Wij helpen u graag verder!

Aanpassen energiebelasting ter voorkoming dubbele belasting bij batterijopslag
De levering van elektriciteit aan een energieopslagfaciliteit zal onder voorwaarden niet worden aangemerkt als een belaste levering voor de energiebelasting. Hiermee wordt voorkomen dat bij de opslag van elektriciteit in een keten twee keer belasting wordt geheven over de levering van elektriciteit.

4. Woningmarkt

Het kabinet neemt geen ingrijpende maatregelen om de woningmarkt te hervormen. Wel wordt de hypotheekaftrek verlaagd en vindt een aantal technische aanpassingen plaats. Lees hier de belangrijkste wijzigingen voor de woningmarkt in het Belastingplan 2022.

Afbouw hypotheekrenteaftrek eigen woning
Sinds 2014 wordt het fiscale voordeel van de hypotheekrenteaftrek geleidelijk verlaagd voor zover de rente wordt afgetrokken tegen het hoogste inkomstenbelastingtarief in box 1. Dit tarief bedraagt 40% in 2022 (43% in 2021). In 2023 zal nog één keer een verlaging worden doorgevoerd, waardoor de hypotheekrente definitief aftrekbaar is tegen maximaal 37,05%. Dit percentage komt overeen met het tarief van de eerste schijf. Overigens geldt dit aftrekpercentage ook bij veel andere aftrekposten.

Betaalt u geen of weinig rente omdat u geen of een kleine eigenwoningschuld hebt? Dan kunt u gebruikmaken van de Hillen-aftrek. Deze aftrek wordt in 30 jaar afgebouwd en bedraagt voor 2022 86,67% (2021: 90%).

Eigenwoningforfait wordt lager
De eerder aangekondigde verlaging van het eigenwoningforfait wordt doorgezet. Het eigenwoningforfait is een percentage van de WOZ-waarde van de woning en wordt bij het inkomen geteld. Hierdoor stijgt de aftrekpost eigen woning. Tot € 1.100.000 bedraagt het forfait in 2022 0,45% (0,50% in 2021) en boven € 1.100.000 blijft het 2,35%. Deze verlaging is een compensatie voor de afbouw van de hypotheekrenteaftrek.

Schenkingsvrijstelling eigen woning
De eenmalig verhoogde schenkingsvrijstelling voor de eigen woning van € 105.302 wordt ook in 2022 voortgezet. De daadwerkelijke hoogte van de vrijstelling wordt aan het einde van 2021 bekendgemaakt.

Aanpassen eigenwoningregeling in partnerschapssituaties bij overlijden
Sinds 2004 kennen we de bijleenregeling. In het kort komt deze erop neer dat wanneer uw oude woning meer opbrengt dan het bedrag waarvoor deze is gefinancierd, het bedrag daarboven op de lening voor uw nieuwe woning in mindering moet worden gebracht. Uw nieuwe eigenwoningschuld (EWS) valt daardoor lager uit. Deze winst wordt ook wel omschreven als de eigenwoningreserve (EWR). Vanaf 2013 moet u een lening voor de eigen woning binnen 30 jaar aflossen om in aanmerking te komen voor renteaftrek. Of u hieraan voldoet, wordt bepaald aan de hand van de aflossingsstand. De beoordeling van de EWR en EWS wordt gewijzigd in gevallen waarbij een fiscaal partnerschap is aangegaan. Hierdoor worden deze schulden voortaan rechtvaardiger behandeld.

De volgende aanpassingen worden doorgevoerd:

  1. Alleen wanneer in algemene gemeenschap van goederen wordt gehuwd, gaat een EWR en de aflossingsstand van de andere partner voor de helft over op de echtgenoot.
  2. In situaties waarin niet in algemene gemeenschap van goederen is gehuwd, staat het de andere partner vrij de onbenutte ruimte EWR te benutten, zolang de partners gezamenlijk voldoende vermogen hebben ingebracht.
  3. De EWR en de aflossingsstand gaan bij overlijden niet over op de andere partner.

Voorbeeld:
A en B zijn ongehuwd en kopen een woning van € 340.000 en gaan hiervoor een hypotheek aan van € 300.000. Zij financieren € 40.000 uit het vermogen van A dat hij heeft verdiend met de verkoop van zijn vorige woning.

Tot en met 2021:
Aandeel van A in de hypotheek:                                                          € 150.000
Aandeel van A in de woning:                              € 170.000
Huidige eigenwoningreserve A:                         € 40.000 -/-
Maximale eigenwoningschuld A:                                                        € 130.000 -/-
Aandeel waarover geen renteaftrek bestaat:                                    € 20.000

Maximale EWS van B:                                        € 170.000
Hypotheek van B:                                                € 150.000 -/-
Niet benutte ruimte eigenwoningschuld:                                          € 20.000

Vanaf 2022:
Bij aankoop van de woning mag A ook de ruimte van B benutten, waardoor renteaftrek over de gehele eigenwoningschuld (€ 300.000) is toegestaan.

Onvoorziene omstandigheden vóór verkrijging woning
Sinds 1 januari 2021 kent de overdrachtsbelasting drie tarieven:

  • Voor verkrijgingen van een eigen woning van maximaal € 400.000 door starters tot 35 jaar, geldt een verlaagd tarief van 0%. Voorwaarde is wel dat de woning gaat functioneren als hoofdverblijf en dat de koper de vrijstelling nog niet eerder heeft gehad.
  • Voor de verkrijging van een eigen woning geldt een verlaagd tarief van 2%, mits de woning gaat functioneren als hoofdverblijf.
  • Voor overige verkrijgingen van onroerend goed, zoals niet-eigenwoningen en niet-woningen (zoals bedrijfspanden), geldt een tarief van 8%.
    De verlaagde tarieven gelden alleen wanneer de woning gaat functioneren als hoofdverblijf. Het komt in de praktijk geregeld voor dat de woning door onvoorziene omstandigheden niet als hoofdverblijf kan worden gebruikt. De wet biedt de mogelijkheid om rekening te houden met deze omstandigheden die zich ná het tijdstip van de verkrijging voordoen.

Het kan ook voorkomen dat onvoorziene omstandigheden zich voordoen na het sluiten van de koopovereenkomst, maar voor de levering (de overdracht bij de notaris). Bijvoorbeeld bij het verloren gaan van de woning, een echtscheiding, nieuwe baan en/of verlies van baan of overlijden. Momenteel is niet wettelijk vastgelegd dat wanneer deze omstandigheden zich voordoen tussen het tijdstip van het sluiten van de overeenkomst en de levering, het verlaagde tarief alsnog van toepassing is. Het kabinet wil ook in deze gevallen rekening houden met de onvoorziene omstandigheden. Hiervoor moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:

  1. De onvoorziene omstandigheid doet zich voor in de periode tussen het tekenen van het koopcontract en het moment van overdracht bij de notaris.
  2. Door deze omstandigheid kan niet langer worden voldaan aan het hoofdverblijfcriterium.

Aanpassing antimisbruikbepaling overdrachtsbelasting
Sinds 1 april 2021 mag de startersvrijstelling voor de overdrachtsbelasting alleen toegepast worden wanneer de waarde van de verkregen woning niet boven de € 400.000 uitkomt. Er zou misbruik kunnen worden gemaakt van dit maximumbedrag door de woning gefaseerd te verkopen. Bijvoorbeeld door eerst het woongenot te verkopen, gevolgd door de verkoop van de rest van de eigendom. Daarom is een antimisbruikbepaling opgesteld, die het totaal van de waarde van de verkregen woning en de rechten waaraan deze is onderworpen bij elkaar optelt.

Voorgesteld wordt om een tweetal onduidelijkheden in deze antimisbruikbepaling weg te nemen:

  1. Wanneer als gevolg van een opeenvolgende verkrijging binnen één jaar de waarde van de verkregen woning tezamen onder de woningwaarde grens van € 400.000 uitkomt, is aanvullend alleen overdrachtsbelasting verschuldigd over de waarde van de opvolgende verkrijging.
  2. Wanneer de eerste verkrijging voor 1 april 2021 heeft plaatsgevonden en de opeenvolgende verkrijging daarna, dan is de antimisbruikbepaling niet van toepassing.

Tot slot wordt voorgesteld om deze antimisbruikbepaling niet te laten gelden in geval van verkrijgingen krachtens erfrecht of huwelijksvermogensrecht.

Vrijstelling van overdrachtsbelasting bij terugkoop woning met verkoopregulerend beding
‘Verkopen onder voorwaarden (VoV)’ is een instrument om starters op de koopwoningmarkt te stimuleren. Een VoV-woning wordt door een aanbieder met een korting verkocht aan vooral starters of particuliere kopers met een lager inkomen. Onderdeel van ‘verkoop onder voorwaarden’ is vaak dat de aanbieder de woning op termijn terugkoopt. Bij terugkoop wordt de waardestijging of daling gedeeld tussen de aanbieder en de eigenaar-bewoner. De woning wordt dan vervolgens opnieuw (door)verkocht aan een starter of particuliere koper met een lager inkomen. In de praktijk werd dit instrument vooral door woningcorporaties ingezet.

Sinds de wijzigingen in de overdrachtsbelasting in 2021 is dit instrument voor aanbieders financieel onaantrekkelijk. Voor 2021 betaalden aanbieders in de praktijk geen overdrachtsbelasting over terugkopen. Na 2021 worden terugkopen met 8% overdrachtsbelasting belast. Dit wordt nu aangepast, zodat met ingang van 1 januari 2022 de facto geen overdrachtsbelasting verschuldigd is over terugkopen.

Om hiervoor in aanmerking te komen, moet aan de volgende voorwaarden worden voldaan:

  • Uit het verkoopregulerend beding bij de eerdere verkrijging blijkt een zelfbewoningsplicht voor de natuurlijk persoon (eerdere verkrijger) voor de betreffende woning.
  • De waarde in het economisch verkeer van de VoV-woning ten tijde van de eerdere verkrijging is niet hoger dan de woningwaardegrens die geldt bij de startersvrijstelling ten tijde van de terugverkrijging. Met waarde wordt hier bedoeld de waarde in het economisch verkeer zonder rekening te houden met het verkoopregulerend beding.
  • De woning is bij de eerdere verkrijging door de natuurlijk persoon verkregen met een koperskorting van ten minste 10% en ten hoogste 50% van de waarde van die woning op dat moment. Met koperskorting wordt hier een regeling over een uitgestelde betaling bedoeld, waarbij de schuld pas bij verkoop van de woning hoeft te worden afgelost.
  • Een natuurlijk persoon is op grond van het verkoopregulerend beding verplicht om de koperskorting geheel of gedeeltelijk terug te betalen, of is verplicht om met de voorafgaande vervreemder in bepaalde mate een tussentijdse waardeontwikkeling te delen. Daarbij kan de tussentijdse waardeontwikkeling zowel positief als negatief zijn.

Verlaging van de verhuurderheffing wegens huurbevriezing
Bezit u meer dan 50 huurwoningen waarvan de maandelijkse huurprijs niet hoger is dan de huurtoeslaggrens? Dan is verhuurderheffing verschuldigd. In de praktijk wordt deze heffing nagenoeg geheel door de woningcorporatiesector en een aantal beleggers betaald. De opbrengst van de verhuurderheffing bedroeg in 2019 € 1,7 miljard.

Deze heffing wordt nu uiteindelijk per 1 januari 2022 verlaagd met 0,042 procentpunt. Hiermee wordt de verhuurderheffing structureel met een bedrag van € 180 miljoen verminderd.

5. Ondernemingen

Van beperking in de verliesverrekening vennootschapsbelasting tot het vereenvoudigen van de systematiek van een S&O-aanvraag. Ook voor ondernemingen brengt het Belastingplan 2022 de nodige wijzigingen en gevolgen met zich mee. Lees hier waar u als ondernemer op moet letten.

One Stop Shop (OSS)-regeling bij negatieve omzet (import)
Eerder dit jaar zijn er nieuwe e-commerceregels geïmplementeerd. Deze regels worden versoepeld in het geval van een negatieve btw-melding.

In bepaalde gevallen kan een buitenlandse btw-ondernemer een negatieve omzet behalen voor afstandsverkopen naar Nederland. Zo’n situatie doet zich bijvoorbeeld voor wanneer een btw-ondernemer uit een andere EU-lidstaat afstandsverkopen verricht en deze ondernemer in het belastingtijdvak meer retourzendingen ontvangt dan goederenleveringen verricht. De OSS-aangifte zou dan resulteren in een teruggaaf van btw.

Tot voor kort was het onduidelijk of in dergelijke gevallen (aanvullend) een teruggaafverzoek via de EU-portal moest worden gedaan. De staatssecretaris van Financiën geeft aan dat dit in Nederland niet het geval is. De Belastingdienst moet een negatieve (I)OSS-aangifte als teruggaafverzoek in behandeling nemen. Dit scheelt de buitenlandse ondernemer administratieve rompslomp, want er hoeft namelijk geen separaat teruggaafverzoek te worden ingediend. Deze versoepeling wordt met terugwerkende kracht verleend vanaf 1 juli 2021.

Let op! Deze toezegging geldt enkel in de situatie dat een btw-ondernemer uit een andere EU-lidstaat recht heeft op een teruggaaf van Nederlandse btw. Voor Nederlandse btw-ondernemers die in een andere EU-lidstaat op een negatief bedrag (teruggaaf) uitkomen, is altijd extra aandacht vereist. Nog niet alle EU-lidstaten hebben duidelijkheid verschaft over de manier van het terugvragen van de ‘buitenlandse-btw’ op retourzendingen. Dit betekent dat deze ‘versoepeling’ vooral een tegemoetkoming is voor btw-ondernemers uit andere EU-lidstaten.

Beperking verliesverrekening vennootschapsbelasting
Wanneer uw bedrijf over een jaar verlies draait, kunt u dit verlies verrekenen met de winst van het jaar daarvoor of met de winsten in de komende zes jaren. Vanaf 2022 zijn verliezen onbeperkt voorwaarts verrekenbaar en vervalt de termijn voor de voorwaartse verliesverrekening van zes jaar. Verliezen kunnen daardoor niet langer meer verdampen of verloren gaan. De achterwaartse verliesverrekening wijzigt niet en blijft beperkt tot 1 jaar. Maar de verrekening wordt wel afgezwakt. De verliezen (zowel voorwaarts als achterwaarts) zijn tot een bedrag van € 1.000.000 aan belastbare winst verrekenbaar. Als de winst hoger is, zijn de verliezen slechts tot 50% van die hogere winst in een jaar verrekenbaar. Deze aanpassing was al eerder aangekondigd en gaat per 1 januari 2022 in.

Overgangsregeling
De huidige voorwaartse verliesverrekening is beperkt tot een maximum van 6 of 9 jaar. Zo is een verlies uit 2013 op dit moment verrekenbaar tot en met 31 december 2022. Verliezen vanaf 1 januari 2022 zijn net als de nog openstaande verliezen per 31 december 2021 onbeperkt voorwaarts verrekenbaar. Dit betekent dat als op 31 december 2021 nog verliezen openstaan vanaf het jaar 2013, deze verliezen vanaf 2022 weer onbeperkt verrekenbaar zijn. Verliezen uit 2012 vallen niet onder deze overgangsregeling, aangezien deze verliezen slechts verrekenbaar zijn tot 31 december 2021.

Vereenvoudigen en verduidelijken systematiek S&O-aanvraag
In 2019 is de Wet ter bevordering van speur- en ontwikkelingswerk (afgekort WBSO) geëvalueerd en is aanbevolen om de systematiek van indienen en toekennen van een S&O-aanvraag te vereenvoudigen en te verkorten. Daarom wordt een aantal wijzigingen doorgevoerd om de aanvraag-, mededelings- en verrekensystematiek verder te vereenvoudigen en te flexibiliseren. Daarnaast wordt verduidelijkt dat alleen kosten en uitgaven die aangevraagd zijn en waarvoor een S&O-afdrachtvermindering toegekend is, kunnen worden opgevoerd bij de mededeling.

6. Internationaal

Bij internationaal ondernemen komen meerdere belastingregimes bij elkaar, wat kan leiden tot onwenselijke belastingdruk of belastingontwijking. Het Belastingplan 2022 bevat aanpassingen, nieuwe regelingen en maatregelen om onwenselijke gevolgen tegen te gaan.

Verrekening van voorheffingen aangepast
Een Nederlandse besloten vennootschap die beleggingen aanhoudt, kan de verschuldigde dividendbelasting en kansspelbelasting verrekenen met de vennootschapsbelasting. Buitenlandse lichamen kunnen dat niet. Onder druk van EU-recht is daarom per 1 januari 2021 een goedkeuring opgenomen voor teruggave van dividendbelasting en kansspelbelasting aan buitenlande portfolio-aandeelhouders. Deze regeling zorgt ervoor dat deze verrekening gemaximeerd wordt tot de in een jaar verschuldigde vennootschapsbelasting. De eventueel niet verrekende dividendbelasting schuift door naar een later jaar.

Er wordt geen termijn gesteld voor de voorwaartse verrekening. Een ‘verdamping’ van niet verrekende dividend-/kansspelbelasting is dan ook niet aan de orde. Deze maatregel gaat in per 1 januari 2022.

Zakelijkheidsbeginsel in grensoverschrijdende situaties
Gelieerde vennootschappen zijn verplicht om zakelijk met elkaar te handelen. Zij moeten voor aan elkaar geleverde diensten en goederen een prijs in rekening brengen die ‘at arms length’ is, oftewel de prijs die zou zijn overeengekomen tussen onafhankelijke partijen. Dit geldt in zowel binnenlands als grensoverschrijdende situaties. Als de Belastingdienst van mening is dat hier niet aan wordt voldaan, dan wordt de verrekenprijs aangepast totdat deze wel zakelijk is. Dit principe reikt zo ver dat de Belastingdienst een aanpassing doorvoert, zelfs wanneer de fiscus van de buitenlandse gelieerde partij dit voorbeeld niet volgt. Door deze eenzijdige aanpassing ontstaat een heffingslek. Om dit gevolg tegen te gaan, regelt een nieuw wetsvoorstel dat een aanpassing van de verrekenprijzen in Nederland de winst niet kan verlagen zonder dat het buitenland de fiscale winst aldaar verhoogt. Ook kent de wet regelingen voor overdracht van vermogensbestanddelen.

Belastingplichtmaatregel omgekeerde hybride lichamen
In het verleden hebben multinationals meermaals gebruikgemaakt van de verschillende kwalificaties die landen hanteerden omtrent de behandeling van belastingplichtigen. Per 1 januari 2020 zijn al maatregelen ingevoerd om hybride mismatches tegen te gaan. Het doel van het wetsvoorstel is om hybride mismatches die per 2020 nog niet geregeld zijn, de zogenaamde omgekeerde gevallen, verder te voorkomen. Het gaat daarbij om een verschil in fiscale kwalificatie van samenwerkingsverbanden, zoals besloten cv’s in cv-bv-structuren. In Nederland zijn deze samenwerkingsverbanden niet zelfstandig belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting. Belastingheffing vindt plaats op het niveau van de participanten (fiscale transparantie). Er ontstaat een kwalificatieverschil als de participanten van het samenwerkingsverband zijn gevestigd in een land dat deze fiscale transparantie niet kent. Per saldo heft dan dus geen enkel land belasting. Het voorstel strekt ertoe deze kwalificatieverschillen te neutraliseren door onder voorwaarden de kwalificatie van het samenwerkingsverband van het land waar de participanten gevestigd zijn te volgen. Dat betekent dat een vanuit Nederlandse fiscale optiek fiscaal transparant samenwerkingsverband in die situaties als zelfstandig belastingplichtig is aan te merken. In de praktijk maken vooral Amerikaanse concerns gebruik van deze structuren, omdat in de verhouding Nederland-Amerika deze mismatch aanwezig is.

Onder maatschappelijke druk hebben meerdere landen de handen ineengeslagen om elkaars kwalificatie af te stemmen. De laatste mogelijkheden tot zogeheten ‘mismatches’ dienen na invoering van een nieuwe wet – met ingangsdatum 1 januari 2022 – tot het verleden te behoren.

Volgorde CFC-verrekening
De deelnemingsvrijstelling in de vennootschapsbelasting zorgt ervoor dat de resultaten van zowel binnenlandse als buitenlandse dochtervennootschappen zijn vrijgesteld van de winst van de Nederlandse houdstervennootschap. De deelnemingsvrijstelling is door toedoen van internationale bestrijding van belastingontwijking in bepaalde gevallen echter niet meer van toepassing.

Dit speelt bij zogenoemde Controlled-Foreign-Company (CFC) deelnemingen. Dit zijn buitenlandse dochtervennootschappen die zijn gevestigd in een laag belast land en tevens worden aangehouden met als hoofddoel om passieve (beleggings)inkomsten te genereren.
Indien meer dan een belang van 50% in een dergelijke deelneming wordt aangehouden, maken de resultaten van die deelneming toch onderdeel uit van de winst van de Nederlandse houdstervennootschap.

Om dubbele heffing te voorkomen, wordt de buitenlandse belastingheffing op de buitenlandse CFC-dochtervennootschap onder voorwaarden verrekend met de in Nederland verschuldigde vennootschapsbelasting van de houdstermaatschappij. Bij meerdere aangehouden CFC-lichamen wordt de te verrekenen buitenlandse belasting per CFC-lichaam afzonderlijk berekend. De verrekening kan echter niet meer bedragen dan de vennootschapsbelasting die in Nederland is verschuldigd. Op dit moment schrijft de wet niet voor in welke volgorde deze verrekening van het kleinste naar het grootste bedrag aan winstbelasting moet plaatsvinden. Omwille van de uitvoerbaarheid van de verrekening in deze specifieke gevallen wordt voorgesteld om in de wet een verplichte volgorde van verrekening op te nemen. Indien de betaalde winstbelasting van CFC’s even groot zijn, zullen de bedragen naar evenredigheid worden verrekend.

7. Overige, eerder aangekondigde en te verwachten voorstellen

Welke wijzigingen voert de Belastingdienst door om het systeem rondom de toeslagen menselijker te maken? En hoe zit het met de bedrijfsopvolgingsregeling in 2022? Deze en diverse eerder aangekondigde maatregelen zetten we voor u op een rij. Ook geven we aan welke onderwerpen nog ontbraken in het Belastingplan 2022.

Eerder aangekondigd: de turboliquidatie
Een turboliquidatie is een eenvoudige en snelle manier om een onderneming te beëindigen. De verwachting is dat door corona binnenkort veel ondernemers hun bedrijf willen beëindigen via deze turboliquidatie. Dit wetsvoorstel voert tijdelijk wijzigingen door om misbruik van turboliquidatie tegen te gaan. De wijziging betreft onder ander de introductie van een financiële verantwoordingsverplichting voor bestuurders. De wijzigingen zijn bedoeld om schuldeisers te beschermen en om de transparantie te vergroten. De internetconsultatie van dit wetsvoorstel is afgerond.

Winstvrijstelling voor Subsidie vaste lasten en Subsidie financiering vaste lasten startende mkb-ondernemingen (TVL)
De TOGS (ontvangen in 2020) en haar opvolger de TVL zorgen ervoor dat ondernemingen die zijn getroffen door de coronacrisis een tegemoetkoming kunnen ontvangen voor hun vaste lasten. De vergoedingen die op basis van deze regeling worden ontvangen behoren in beginsel tot de winst. Dit is niet wenselijk. Net zoals vorig jaar wordt de vrijstelling voor de TVL in de wet vastgelegd.

Maandelijkse gegevenslevering kinderopvangorganisaties
Om te helpen voorkomen dat ouders ontvangen kinderopvangtoeslag moeten terugbetalen, wordt verplicht dat kinderopvangorganisaties (kindercentra en gastouderbureaus) maandelijks op eigen initiatief gegevens moeten verstrekken aan de Belastingdienst/Toeslagen over de afgenomen opvang per ingeschreven kind. In het verleden gebeurde dit jaarlijks. Dit wordt dus uitgebreid naar maandelijks en op eigen initiatief. Doordat de Belastingdienst/Toeslagen deze gegevens vroegtijdig ontvangt, kan de Belastingdienst/Toeslagen ouders vroeger informeren dat zij wijzigingen moeten doorgeven aan de Belastingdienst/Toeslagen.

Toeslagen
Naar aanleiding van de toeslagenaffaire staat in de plannen de mogelijkheid om een tegemoetkoming te bieden aan belastingplichtigen bij schrijnende gevolgen van onterecht handelen of nalaten van de Belastingdienst.

Bedrijfsopvolgingsregeling
De bedrijfsopvolgingsregeling (BOR) in de schenk- en erfbelasting en de inkomstenbelasting blijft in de huidige vorm gehandhaafd. In juli 2021 heeft de Tweede Kamer twee moties aangenomen ter verbetering van de bedrijfsopvolgingsregeling.

  • In de eerste motie wordt geconstateerd dat Nederland een van de minst gunstige bedrijfs-opvolgingsregelingen kent van Europa en dat dit tot een onevenwichtig concurrentienadeel leidt ten opzichte van omringende landen. Onderzocht moet worden hoe de BOR kan worden verbeterd zodat er meer sprake is van een gelijk speelveld.
  • De tweede motie stelt vast dat in Nederland binnen de BOR de bezits- en voortzettingseis ertoe leidt dat acquisities in de eerste vijf jaar voor de schenking of één jaar voor vererving niet onder de BOR vallen. Onderzocht moet worden hoe de bezits- en voortzettingseis binnen de BOR kan worden geharmoniseerd met andere EU-landen.

Disclaimer
Bij de samenstelling van de teksten is naar uiterste betrouwbaarheid en zorgvuldigheid gestreefd. Onze organisatie kan niet aansprakelijk worden gesteld voor eventuele onjuistheden en de gevolgen hiervan.

Share on whatsapp
Share on facebook
Share on twitter
Share on linkedin
Share on email
Share on print
Scroll naar top