Kom van dat Dak af

Kom van dat dak af! Maar doe het wel veilig!

Peter Koelewijn zingt het al jaren “Kom van dat dak af, ‘k waarschuw niet meer”, maar in een gevaarlijke situatie waarin een werknemer zich op het dak bevindt, moet een werkgever eigenlijk daar achteraan zingen “maar hoe het wel heel veilig en voorzichtig volgens de voorschriften!”. Anders kan de werkgever aansprakelijk worden gehouden voor de door de werknemer geleden schade.

Aansprakelijkheid voor schade tijdens het werk ontstaan
Een werkgever kan namelijk aansprakelijk worden gesteld voor de schade die een werknemer heeft geleden tijdens zijn werk.

Maar wanneer is daarvan sprake? En is de werkgever altijd aansprakelijk?

Een werkgever is verplicht om lokalen, gereedschappen en werktuigen waarin en waarmee een werknemer werkt zo te onderhouden en dusdanige instructies te verschaffen dat een werknemer geen gevaar loopt of schade oploopt tijdens de uitvoering van zijn werkzaamheden. Dat staat in het Burgerlijk Wetboek (BW) in artikel 7:658 lid 1 BW.

Op de werkgever ligt dus een wettelijke zorgplicht, vastgelegd in de verplichtingen genoemd in dit wetsartikel.

Aansprakelijk, tenzij…
Een werkgever is daarom tegenover een werknemer aansprakelijk voor de schade die de werknemer door zijn werk (“in de uitoefening van zijn werkzaamheden”) lijdt, tenzij hij, de werkgever, kan aantonen dat hij zijn verplichtingen is nagekomen of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer. Dat staat in artikel 7:658 lid 2 BW.

Wat betekenen deze juridische afwegingen voor de praktijk?
De hoofdregel is dat als een werknemer schade heeft geleden tijdens en door zijn werk, de werkgever moet bewijzen dat er geen (causaal) verband is tussen de schade en de uitoefening van de werkzaamheden. Bij deze werkgeversaansprakelijkheid geldt dus een zogenaamde omkeringsregel (de werkgever is aansprakelijk, tenzij…). De werkgever moet dus bewijzen dat hij niet aansprakelijk is voor de schade die de werknemer heeft geleden.

Deze aansprakelijkheid gaat best ver. Uit de rechtspraak blijkt dat schade die bijvoorbeeld ontstaan is tijdens een bedrijfsuitje ook valt onder “in de uitoefening van de werkzaamheden”.

Kortom, een werknemer geniet veel bescherming op basis van dit wetsartikel. Dit betekent dat de werkgever al snel aansprakelijk kan worden geacht in geval van schade bij de werknemer. De veiligheid van de werknemer moet worden beschermd.

Maar wanneer is een werkgever dan niet aansprakelijk?

Uitzonderingen op de hoofdregel
Als een werkgever kan aantonen dat hij zijn zorgplicht is nagekomen of als de schade die de werknemer heeft geleden een belangrijk gevolg is van de opzet of de bewuste roekeloosheid van de werknemer, dan is de werkgever niet aansprakelijk voor de ontstane schade.

In de praktijk zijn opzet en bewuste roekeloosheid best lastige begrippen. Een werkgever, en ook een rechter, kunnen immers niet met terugwerkende kracht in het hoofd van een werknemer kijken om te beoordelen en af te wegen wat deze werknemer nu precies bezield heeft. Dat kan alleen worden beoordeeld aan de hand van concrete gedragingen in die situatie. En van de verklaring van de werknemer. Over die feitelijke gang van zaken hebben de werkgever en de werknemer vaak echter wel een andere mening.

Opzet, maar ook bewuste roekeloosheid worden daarom in de praktijk niet zo snel aangenomen. De werkgever moet namelijk in een procedure bij de rechter bewijzen dat de werknemer zich de aanmerkelijke kans op verwezenlijking van de gedraging bewust was, maar zich desondanks niet heeft onthouden van die gedraging. En dat terwijl de werknemer zich wel behoorde te onthouden van deze gedraging.

En zoals geschreven, een werkgever en een rechter kunnen niet in het hoofd van de werknemer kijken. En ook wordt niet snel aangenomen dat een werknemer zichzelf tijdens het werk opzettelijk verwondt.

Een aantal juridische procedures gingen over werknemer die van het dak zijn gevallen of door een dak zijn gezakt, waaronder het bekende arrest van de Hoge Raad van 20 september 1996 (ECLI:NL:HR:1996:ZC2142 inzake Pollemans/Hoondert)

Het arrest Pollemans/Hoondert
In dit arrest was de werknemer, Pollemans, door het dak gezakt en twee meter naar beneden gevallen. En dat terwijl hij een aantal keren door de werkgever was gewaarschuwd om niet naast de steigerdelen te lopen. Dat deed deze werknemer toch, met zijn val tot gevolg. Volgens de Hoge Raad zijn de waarschuwingen echter niet voldoende om aan te nemen dat Pollemans bewust roekeloos heeft gehandeld. Zijn werkgever, Hoondert, is daarom aansprakelijk voor de ontstane schade.

Maar er zijn ook grenzen, zo bleek uit de uitspraak van de Rechtbank Overijssel van 25 januari 2022 (ECLI:NL:RBOVE:2022:286).

De feiten van deze uitspraak
De werknemer, in dienst van de werkgever, HAK4T, was op woensdag 6 mei 2013 werkzaam op het dak van een manege waar een lichtstraat moest worden aangebracht of vervangen. Daarbij was de werknemer met een harnasgordel met een paar meter lange vallijn gekoppeld aan een in lengterichting over het dak gespannen kabel. Een aangelijnde werknemer kon het dak dus in de lengterichting gezekerd belopen (door de kabel door het oog van zijn vallijn te laten lopen) en had daarnaast (via zijn eigen vallijn) ook een paar meter ruimte rondom zich om gezekerd te manoeuvreren.

Op een bepaald moment heeft de werknemer zijn vallijn losgekoppeld van de kabel, is een paar passen achteruit gelopen en is vervolgens door een lichtdoorlatende dakplaat heen zeven meter naar beneden gevallen, met letsel tot gevolg.

De werknemer voert nu bij de rechter aan dat HAK4T niet heeft aangetoond dat zij heeft voldaan aan haar zorgplicht jegens hem, door al die maatregelen te nemen die redelijkerwijs nodig waren om de schade te voorkomen. De werknemer betwist dat aan deze zorgplicht is voldaan.

De werknemer baseert zich daarbij op een boeterapport van de Inspectie SZW van 4 februari 2014 over het gebruik van een ladder om plaatmateriaal omhoog te brengen naar het dak en het daarvoor niet gebruiken van een kraan of verreiker. Bovendien was de werkplek onveilig volgens de werknemer omdat geen doorvalbeveiliging was aangebracht. Ook waren op de plek waar de dakplaten naar boven werden aangegeven geen loopplanken neergelegd en er was een gebrek aan werkruimte op het dak. Een en ander was volgens de werknemer in strijd met wettelijke regels (Arbeidsomstandighedenwet of Arbeidsomstandighedenbesluit).

Zijn werkgever, HAK4T, heeft het standpunt ingenomen dat sprake is geweest van bewuste roekeloosheid van de werknemer en dat zij haar zorgplicht niet heeft geschonden. Zo heeft zij diverse en voldoende maatregelen getroffen in verband met de gevaren van het werken op hoogte en voorts niet omdat de uiteindelijke beslissing van de Inspectie SZW van 12 november 2014 – kort gezegd – uitwijst dat haar op dit punt niets te verwijten valt.

Het standpunt van de rechter
De rechter volgt in deze situatie het standpunt van HAK4T.

De kantonrechter stelt vast dat HAK4T adequate maatregelen en voorzieningen heeft getroffen inzake het werken op hoogte en ter voorkoming van de verwezenlijking van valrisico’s, het op dit werk toegespitste inventariseren van de risico’s op meerdere momenten voorafgaand aan de werkzaamheden, voor het laatst op de dag waarop het werk ging starten voorafgaand aan het werk zelf, het voorzien in (technische) voorzieningen (aanlijnkabels, loopplanken, harnasgordels met vallijn) met instructies hierover.

Daarnaast kent de kantonrechter betekenis toe aan de beslissing van de Inspectie SZW van 12 november 2014, gegeven als vervolg op het boeterapport van de Arbeidsinspecteur van de Inspectie SZW van 5 februari 2014. In die beslissing is gemotiveerd waarom aan HAK4T geen boete wordt opgelegd hoewel de Arbeidsinspecteur aanvankelijk een overtreding van de Arbeidsomstandighedenbesluit signaleerde.

De kantonrechter is van oordeel dat HAK4T aan haar zorgplicht als werkgever heeft voldaan. De rechter overweegt dan verder:

“Had de werkgever de rechter verder, ondanks het voorgaande rekening moeten houden met het loskoppelen van de vallijn door de werknemer of die handeling moeten voorzien, in verband waarmee zij voor de gevolgen daarvan aansprakelijk moet worden gehouden?

Het antwoord is nee. De kantonrechter is van oordeel dat de schade van [verzoeker] door het ongeval het gevolg is van zijn eigen bewust roekeloos handelen en dat de werkgever daarvoor niet verantwoordelijk is.

[verzoeker] was ervaren en goed geïnstrueerd: hij wist dat het werk aangelijnd moest worden gedaan. Niet valt in te zien dat [verzoeker] zich niet bewust is geweest van de risico’s en gevaren die het werken op een hoog en hellen dak meebrengt. Daarnaast moet worden aangenomen dat hij de situatie ter plaatse goed kende: hij had voorafgaand aan de start van het werk meegeholpen om de beveiligingsvoorzieningen op het dak aan te brengen. Verder heeft hij aangegeven dat de kans op doorzakken bij dit soort al wat oudere dakbedekking groot is waarbij hij ook nog heeft opgemerkt dat een lichtdoorlatende plaat door ouderdom ‘bros’ wordt en dan ‘nog geen gereedschapskist kan dragen’.

Ondanks deze wetenschap heeft [verzoeker] zich losgekoppeld.”

Kortom, de rechter wijst de verzoeken van de werknemer om aansprakelijkstelling van HAK4T en het daaruit voortvloeiende recht op vergoeding van de door de werknemer geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade als gevolg van het arbeidsongeval, af.

Conclusie
HAK4T wordt hier niet aansprakelijk gehouden omdat zij alles gedaan heeft wat van een zorgvuldig werkgever gevraagd mag worden. Zie hiervoor de verplichtingen uit artikel 7:658 lid 1 BW.

De wet is streng en de lat ligt daarbij hoog. De wetgever vindt de bescherming van de gezondheid en het welzijn heel belangrijk en bedrijfsongevallen moeten zoveel mogelijk worden voorkomen.

Maar een hoge lat wil nog niet zeggen dat een werkgever altijd aansprakelijk is. Ook deze rechter kon niet in het hoofd van de gevallen werknemer kijken, maar betrekt de verklaringen van de werknemer in zijn afweging:

“De kantonrechter stelt vast dat [verzoeker] wisselend heeft verklaard over de reden waarom hij dit deed. Uit zijn verklaringen is af te leiden dat hij zich heeft losgekoppeld toen er een plaat die een collega vanaf een ladder omhoog bracht moest worden aangepakt om op het dak te leggen. Waar [verzoeker] in het verzoekschrift echter aangeeft dat dit in een soort noodsituatie snel moest gebeuren om de bewuste collega uit een benarde situatie te ontzetten, heeft hij ter zitting verklaard dat er geen sprake was van paniek of een penibele situatie waarin heel snel moest worden gehandeld om de collega te ontzetten.”

En van een werknemer, en zeker van een ervaren en goed geïnstrueerde werknemer, mag worden verwacht dat hij zich aan de veiligheidsvoorschriften houdt. Het laatste woord daarbij is aan de rechter:

“De gevolgen van dit handelen moeten, hoe verdrietig deze ook zijn, daarom voor zijn rekening blijven.”

Wilt u meer info neem dan contact op met onze specialisten:

Jeltje van Wijngaarden LLB Juridisch Adviseur

j.v.wijngaarden@fsv.nl

mr. Kees de Kramer Juridisch Adviseur

k.d.kramer@fsv.nl

Scroll naar top